Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



Vooruitgang

Vooruitgang


datum plaatsing

24-12-2005

medium

NRC Handelsblad

auteur

Leo Prick


Het salaris dat leraren voor hun werk ontvingen werd in het verleden bepaald door het niveau van hun bevoegdheid en het aantal jaren dat ze meeliepen. Zo kwam het dus voor dat een notoire de kantjes-eraf-lopers meer betaald kreeg dan zijn van activiteiten bruisende collega, en een boeiende leraar soms minder kreeg dan zijn collega bij wie de les één lange worsteling tegen de slaap was. Het is daarom niet verwonderlijk dat gezocht werd naar wegen om dergelijke onredelijkheden te doorbreken.
Hierover gaat de discussie die zich momenteel in het hele voortgezet onderwijs afspeelt. Is het niet beter dat we de verschillen in kwaliteit en inzet ook daadwerkelijk gaan honoreren? In verband hiermee is een nieuw functiewaarderingssysteem ontwikkeld waarin plaats is voor drie soorten leraren: de Leraar B, C en D.
Wat hebben de meeste directies nu gedaan? Die hebben ervoor gekozen alle leraren in de laagste, de B-functie, te plaatsen. Allemaal in C zou te duur zijn en allemaal in D onbetaalbaar. Scholen hebben er dus voor gekozen geen verschillen te maken tussen zwakke, gewone, en goede leraren, maar hebben die hogere leraarsschalen toegekend aan degenen die, naast het werk van leraar, ook organisatorische taken vervullen.
In het blad van de onderwijsbond AOb lees ik naar aanleiding van het feit dat de meeste scholen alle leraren in de B-functie hebben geplaatst: “Dat vindt de AOb niet wenselijk en ook niet nodig. Het is goed mogelijk, wanneer je daar als school moeite voor doet, om binnen het lesgeven carrièrestappen aan te brengen en leraren die voor de klas staan in aanmerking te laten komen voor C en D. Dit legt pijnlijk bloot dat de directies hier niet mee weten om te gaan.” Schieten die directies in dit opzicht inderdaad pijnlijk tekort? Ik denk het niet. Ik ben ooit in de gelegenheid geweest om in de Verenigde Staten, toen daar sprake was geweest van een vergelijkbare ontwikkeling, te bekijken hoe die processen daar waren verlopen. Wat bleek?
Waar men ervoor had gekozen de leraren in te delen in verschillende kwaliteitscategorieën leidde dat overal tot onvrede. Bovendien bleek vaak dat leraren die enorm veel energie in de school staken dat een paar jaar later, bijvoorbeeld als gevolg van een veranderde privé-situatie, niet meer deden. Of de leraar die uitstekend functioneerde dit niet meer deed toen de leerlingenpopulatie ingrijpend veranderde van wit naar zwart. Moesten die dan weer terug naar een lagere schaal? Ook herinner ik me de opstand van ouders en leerlingen op een school, waar een leraar wegging omdat hij zichzelf te laag vond ingeschaald. Gewaardeerd door leerlingen en ouders, maar blijkbaar niet door de directie. De uitspraak van de AOb legt pijnlijk bloot dat die bond niet in de gaten heeft dat het maken van onderscheid op grond van kwaliteit leidt tot zoveel onvrede en gelazer, dat je daar maar beter niet aan kunt beginnen. Daarom kozen de meeste scholen in Amerika uiteindelijk voor iets heel anders, namelijk het toekennen van bonussen. Bijvoorbeeld voor leraren van wie het vak door veel leerlingen werd gekozen als keuzevak, of leraren die succes hadden behaald met een sportteam of een toneelvoorstelling, of die zich extra hadden ingezet voor de leerlingen met een geestelijke handicap.
Overigens was het overal zo dat, naast leeftijd en ervaring, het niveau van de opleiding de grondslag vormde voor het salaris. Dat wij dat hebben afgeschaft is dom en ondoordacht. Omdat leraren vroeger werden gehonoreerd afhankelijk van het niveau van hun opleiding ontwikkelden velen zich verder op hun vakgebied. Nu doen ze dat op managementgebied. Ik zou dat niet als een vooruitgang willen typeren.
[ < terug ]

aanverwante artikelen: