van der Zwan |
|
datum plaatsing |
07-05-2005 |
medium |
NRC Handelsblad |
auteur |
Leo Prick |
Op 19 april hield Arie van der Zwan een voordracht voor de hogeschool Amsterdam. Als eerste in een reeks die een jaarlijkse traditie moet gaan worden. Een uitstekend opgebouwd betoog omdat hij daarin eerst opkomt voor het miskende beroepsonderwijs, om vervolgens, nadat hij daarmee het vertrouwen van de toehoorders heeft gewonnen, de geachte toehoorders te kapittelen, culminerend in: “Wie van de buitenwereld erkenning verlangt, zal toch in de eerste plaats hoge eisen aan zichzelf moeten stellen.” Dit laatste gebeurt namelijk veel te weinig. Als voorbeeld noemt hij de negatieve beoordeling die de Pabo’s onlangs ten deel viel en de reactie daarop van de HBO-raad. Hij noemt die verontrustend omdat de bezwaren met een beroep op weinig steekhoudende argumenten werden weggewuifd. “Deze ontkenning van de manifest geworden kwaliteitstekorten is in feite een miskenning van de betekenis van het beroepsonderwijs, maar dan vanuit het beroepsonderwijs zelf.” Ten slotte gaat Van der Zwan uitgebreid in op een andere verontrustende ontwikkeling die kenmerkend is voor het hele, maar toch vooral voor het middelbare en hogere beroepsonderwijs, namelijk het nieuwe leren. Het lidwoord ‘het’ suggereert dat het hierbij zou gaan om één bepaalde aanpak, maar dat nieuwe leren kent vele varianten. Die hebben één ding met elkaar gemeen: het uitgangspunt is vraaggestuurd. Het is niet de docent die bepaalt wat er geleerd moet worden maar de student, die bepaalt zijn eigen leervragen, geënt op de beroepspraktijk. Daaruit wordt afgeleid over welke competenties iemand moet beschikken om de betreffende werkzaamheden adequaat uit te voeren. Daarmee is de ene kant van de zaak in kaart gebracht. De andere kant is de adspirant-beroepsbeoefenaar. Die beschikt bij het begin van zijn opleiding al over zekere competenties. Die worden eveneens in kaart gebracht, maar omdat die voor iedereen verschillend zijn speelt zelf-beoordeling daarbij een belangrijke rol. Onlangs kwam mij een voorbeeld onder ogen van Gilde Opleidingen, een Regionaal Onderwijs Centrum (ROC) dat onder meer middelbaar beroepsonderwijs verzorgt in Noord- en Midden-Limburg. Enkele citaten uit de brochure waarin deze instelling haar visie op competentieleren verwoordt: “Een deelnemer is zelfstandig ondernemer van zijn eigen leertraject. Leren is dan ook een uitdaging die een beroep doet op de ondernemerskwaliteiten van de deelnemer. Als ondernemer is de deelnemer zelf aansprakelijk en verantwoordelijk voor zijn ontwikkeling. Hij wil daarom actief, ervarend en concreet aan de slag. Met durf en enigszins risicodragend. De deelnemer wil zo snel mogelijk en zo veel mogelijk in de praktijk leren. Leren in de praktijk maakt leren namelijk relevant.” Duidelijk is dat deze manier van leren een beroep doet op het vermogen om jezelf op kennis en inzicht te controleren, aanvullende kennis te zoeken, jezelf te testen e.d. Deze kwaliteiten nu zijn in hoge mate afhankelijk van de intellectuele capaciteiten van betrokkenen. Van der Zwan: “Met leerlingen wier intellectuele capaciteit beperkter is, toch excellente resultaten behalen, dat was de kunst waarin het hbo zich van de universiteit onderscheidde.” Je zou verwachten dat onderwijsinstellingen die hoge verwachtingen hebben van een dergelijke nieuwe aanpak van het onderwijs dit geleidelijk introduceren in bijvoorbeeld één bepaalde afdeling waar de betrokken docenten daarvoor voelen. Maar zo gaat het niet in de sector onderwijs, daar wordt deze nieuwe hype met Ratelbant-kretologie als het ei van Columbus voor iedereen verplicht. De teleurstellingen laten zich voorspellen. [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
