Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



Jammer

Jammer


datum plaatsing

16-04-2005

medium

NRC Handelsblad

auteur

Leo Prick


Vorige week schreef ik over Leergeld, een verzameling opstellen over sociaal-democratische onderwijspolitiek. Ik vermeldde daarbij dat veel van de bijdragen worden ontsierd door misplaatste borstklopperij of sneren naar politiek andersdenkenden. Wie daar in ernstige mate last van heeft is Ankie Verlaan, lid van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam. Ik vind dat oprecht jammer, want als je uit haar bijdrage alle onnodige, partijpolitieke correctheden weglaat, rest er een uitstekende beschrijving van een aantal kernproblemen waar het huidige onderwijs mee worstelt. Maar ja, wil je zelf serieus genomen worden, dan moet je ook de waarheid serieus nemen. En dat laatste weigert ze doorlopend te doen.
Zo hekelt zij “de populaire gymnasia die zes eerste klassen inrichten, om na zes jaar nog maar twee of drie eindexamenklassen te hebben”. Reden voor mij om twee van die ‘populaire gymnasia’ in Amsterdam, Barlaeus en Vossius, te vragen of zij er inderdaad zo´n janboel van maken dat meer dan de helft van de leerlingen nog voor het bereiken van de zesde klas gesneuveld is. Dat blijkt gelukkig nogal mee te vallen. Het Barlaeus rapporteert een gemiddelde uitval de laatste jaren van één van de vijf klassen. Het Vossius, van de eveneens vijf brugklassen, amper één klas (24 leerlingen om precies te zijn).
Ook waar het gaat om de onderwijspolitieke strapatsen van de PvdA van de laatste jaren, schaamt Verlaan zich er niet voor met de waarheid de hand te lichten. Zo krijgt Deetman (CDA) de schuld van de Basisvorming in de schoenen geschoven. Als oud-ambtenaar van het ministerie van OC&W moet Verlaan weten dat de Basisvorming zoals die onder Wallage uiteindelijk gestalte heeft gekregen in weinig meer herinnerde aan de oorspronkelijke idee, en dat om die reden de Basisvorming vanaf het begin voor talloze leerlingen een lijdensweg heeft betekend. Een lijdensweg die werd verlengd door het krampachtige vasthouden eraan door Netelenbos. Het is aan de collectieve burgerlijke ongehoorzaamheid van vooral de scholen voor beroepsonderwijs te danken geweest dat de schade uiteindelijk beperkt is gebleven.
Verder laat Verlaan zich laatdunkend uit over de veelgehoorde pleidooien voor een ambachtschool. Zij realiseert zich blijkbaar niet dat de roep om de ambachtschool niet wordt ingegeven door een hang naar vroeger tijden, maar door de ellendige gevolgen van een beleid waarbij iedereen, ongeacht interesse of aanleg, verplicht wordt alsmaar langer algemeen vormend onderwijs te volgen.
Ten slotte klaagt Verlaan geheel in de geest van de beste sociaal-democratische tradities ook nog het grootkapitaal aan vanwege de geringe bereidheid van het bedrijfsleven bij te dragen aan het welslagen van het beroepsonderwijs. De economische terugslag in de jaren zeventig en tachtig, zo schrijft zij, leidde ertoe dat bedrijven scholingsactiviteiten afstootten en geen stagiaires en leerlingen meer plaatsten. Ook hier gaat ze voorbij aan de inbreng van de PvdA indertijd in deze ontwikkeling. Die eiste van bedrijfsscholen dat de leerlingen het minimumloon kregen uitbetaald. Dit, in combinatie met de economische recessie, was voor de bedrijven reden om die scholen op te doeken.
Vreemd genoeg schrijft Verlaan aan het slot van haar bijdrage dat het de hoogste tijd is om het debat over wie waaraan schuld heeft onmiddellijk te beëindigen. In plaats daarvan moeten we, vindt zij, resultaatgericht werken.
Heel verstandig, maar hoe is het mogelijk dat ze dit niet heeft bedacht voor ze aan haar opstel begon?
[ < terug ]

aanverwante artikelen: