Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



Universiteitje spelen

Universiteitje spelen


datum plaatsing

30-12-2006

medium

NRC Handelsblad

auteur

Leo Prick


Laatst schreef ik over het onderzoek van de Tilburgse hoogleraar Jan Bouwens en Anne Marie Oudemans, secretaris van de vereniging Beter Onderwijs Nederland, naar de vraag welk deel van de gelden hogescholen besteden aan andere zaken dan het onderwijs zelf. Dat onderzoek, schreef ik toen, blinkt uit door eenvoud. Hun invalshoek is namelijk niet de hoeveelheid bureaucratie, maar de vraag hoeveel procent van de gelden die de hogescholen per student ontvangen naar het onderwijs zelf gaat. Op basis van lesroosters en aantallen studenten kwamen zij tot de conclusie dat gemiddeld 20 procent van die gelden wordt besteed aan het directe contact tussen student en docent.
Ik had verwacht dat hier vanuit de hogescholen veel kritische reacties op zouden volgen, maar dat blijkt, althans voor zo ver ik dat kan overzien, nogal mee te vallen. Of misschien vonden kranten de reacties die ze kregen niet voor plaatsing geschikt want het gaat al vlug om voor de lezer ondoorzichtig gegoochel met cijfers. Een opvallende reactie kwam van Harko van den Hende, afdelingsmanager van de Hogeschool voor Economische Studies van Amsterdam. In de Volkskrant presenteerde hij een rekenwijze die evenzeer uitblinkt door eenvoud: hij neemt alle directe salariskosten van het Onderwijzend Personeel en deelt die door de inkomsten die de hogeschool krijgt voor het geven van onderwijs. Volgens deze formule wordt op zijn hogeschool 44 procent van die gelden besteed aan onderwijs. Dat Van den Hende hoger uitkomt dan Bouwens en Oudemans spreekt vanzelf: die berekenden alleen het directe contact in de vorm van lesgeven en lieten daarmee alle andere onderwijsactiviteiten zoals stagebegeleiding buiten beschouwing.
Het voordeel van zijn completere aanpak kent ook het spreekwoordelijke nadeel. Veel docenten klagen namelijk over het feit dat er ook door het Onderwijzend Personeel heel wat gemanaged wordt. Niet alle onderwijzend personeel draagt dus direct bij aan het verzorgen van onderwijs. Maar afgezien hiervan, ook de berekening van Van den Hende neemt bij mij bepaald niet de twijfel weg dat hogescholen veel van de voor onderwijs bestemde 6.830 euro per student per jaar aan andere zaken besteden. Daarover schreef ik: Het heeft er alle schijn van dat het voor minder kan en dat hogescholen het in de praktijk ook voor minder doen. Het is een misverstand te menen dat de gelden die hogescholen aldus uitsparen per definitie op zouden gaan aan bureaucratie. Daar worden ook andere activiteiten mee gefinancierd zoals bijvoorbeeld het opleiden van promovendi. Maar hoe interessant en nuttig wellicht ook, het is niet aan de onderwijsinstellingen te bepalen wat er met het teveel aan toegekende gemeenschapsgelden gedaan wordt.
Nu leidde Jan Bouwens hieruit af dat het opleiden van promovendi door mij gezien wordt als een nuttige HBO-activiteit. Dat is bepaald niet het geval. Maar ik vond dat de discussie niet mocht gaan over de vraag of hogescholen het teveel aan verkregen onderwijsgelden al dan niet nuttig besteden. Die vraag doet er in dit verband helemaal niet toe. Als het waar is dat ze de gelden niet ten volle besteden aan het doel waarvoor ze worden toegekend, als ze hun werk dus in de praktijk met minder blijken uit te voeren, dan dienen ze ook minder te krijgen. En het is aan de overheid te bepalen wat er met dat teveel gebeurt. Bijvoorbeeld lagere studiekosten voor studenten. Dat lijkt me een heel wat voor de hand liggender bestemming dan universiteitje spelen. Maar, nogmaals, dat is een heel andere discussie.
[ < terug ]

aanverwante artikelen: