Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



Hoe het onderwijs zijn emancipatoire functie is kwijtgeraakt
Hoe het onderwijs zijn emancipatoire functie is kwijtgeraakt

Hoe het onderwijs zijn emancipatoire functie is kwijtgeraakt


datum plaatsing

mei 2006

medium

Trouw

auteur

Leo Prick


Onderwijs is al jaar en dag een instrument om achterstandsgroepen te emanciperen. Vandaar dat na de Tweede Wereldoorlog het Centraal Bureau voor de Statistiek de gegevens over scholingsniveau publiceerde voor allerlei achterstandsgroepen afzonderlijk. Die werden toen gedefinieerd in termen van woongebied en godsdienst. Om de onderwijsachterstand in te halen werden bijvoorbeeld in de jaren vijftig in de provincie Noord-Brabant talloze lycea opgericht. Leerboeken waren weliswaar sober van uitvoering maar ook redelijk betaalbaar. Verdere studie werd gestimuleerd door het beschikbaar stellen van studiebeurzen en renteloze voorschotten waar je als student redelijk van kon rondkomen, en wie in het onderwijs of bij de overheid ging werken hoefde die zelfs niet terug te betalen. School- of collegegelden werden niet of nauwelijks geheven.

Dat leren en studeren allerwegen werd gestimuleerd had niet alleen te maken met het streven naar emancipatie van achtergebleven groepen, maar werd ook ingegeven door het inzicht dat dit nodig was, wilde Nederland zich in economisch opzicht voortvarend ontwikkelen. De situatie waarin we nu verkeren vertoont treffende gelijkenis met die in de jaren vijftig en zestig. Ook nu is sprake van omvangrijke delen van de bevolking met achterstanden op onderwijsgebied en ook nu wordt allerwegen onderkend dat meer en hogere scholing van de beroepsbevolking van vitaal belang is voor onze economische ontwikkeling. Maar wat de oplossing betreft is er een belangrijk verschil: het wordt weliswaar gezien als een nationaal probleem, maar de oplossing ervan wordt in deze tijd van individualisering overgelaten aan wat de individuele burgers zien als hun persoonlijk belang. Ook het voortgezet onderwijs is geïndividualiseerd met de nadruk op eigen verantwoordelijkheid. Het gevolg van deze ontwikkelingen is dat het onderwijs zijn emancipatoire functie niet goed kan vervullen en maatschappelijke verschillen worden bevestigd.

Het voortgezet onderwijs
De wijze waarop scholen het onderwijs inrichten is de laatste jaren ingrijpend aan het veranderen. Dit is mogelijk geworden dankzij de ruimte die ze hebben gekregen om het onderwijs naar eigen inzicht in te richten. Dit is een alleszins verdedigbare ontwikkeling. Scholen weten immers het beste welke weg ze moeten bewandelen om de leerlingen succesvol naar het eindexamen te begeleiden. Maar scholen hebben ook te maken met andere belangen: bijvoorbeeld met een bestuur dat scholen dwingend een bepaalde didactische aanpak voorschrijft om daarmee geld uit te sparen, of zich een flink deel van de beschikbare gelden toeeigent voor bouwactiviteiten of om te reserveren, of voor het uitbouwen van het bestuursapparaat. Overigens, wat de didactische aanpak betreft mag niet voorbij worden gegaan aan de rol van de centrale overheid, die scholen aanmoedigde zich te ontwikkelen tot een studiehuis: meer zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid van de leerling die daarmee beter moest zijn voorbereid op verdere studie. Op zich is daar niets mis mee, mits de inrichting van het onderwijs niet wordt gebruikt om op de kosten van onderwijs te besparen en niet van bovenaf wordt opgelegd, maar door de leraren zelf wordt ontwikkeld. Als die er niet achter staan, er niet in geloven kan welke aanpak dan ook nooit een succes worden. Toch is dat de laatste jaren veelvuldig gebeurd, en dit verklaart hoe het komt dat het studiehuis vaak geen succes werd: te radicaal ingevoerd, te veel opgelegd, leraren te weinig betrokken bij de ontwikkeling ervan.

Studiehuis of geen studiehuis, kenmerkend voor de nieuwe ontwikkelingen in het onderwijs is dat scholen minder schools zijn geworden, dat er meer wordt overgelaten aan de eigen verantwoordelijkheid van de leerlingen. In plaats van voor elke les huiswerk dat vervolgens wordt overhoord of nagekeken, krijgen leerlingen bijvoorbeeld een opdracht die zich uitstrekt over een langere periode in de vorm van een werkstuk. Dat vereist planning, een houding van niet alles op het laatste moment laten aankomen en ook de discipline om regelmatig te werken ook als dat niet geregeld wordt gecontroleerd. Daarmee wordt de verantwoordelijkheid voor de werkverdeling van de onderwijsinspanningen over een langere periode gelegd op de schouders van de leerlingen en daarmee ook op die van de ouders. De voorzitter van de Algemene Onderwijsbond Walter Dresscher verdedigde deze opvatting enige tijd geleden toen hij zei het volstrekt juist te vinden als scholen kinderen zelfstandig laten werken en dat eventueel thuis laten doen, onder schooltijd. Terwijl we een maatschappelijke ontwikkeling kennen waarbij de kans groot is dat er op die tijd thuis niemand aanwezig is, wordt door de voorzitter van de grootste onderwijsbond het standpunt verdedigd dat niet de scholen maar de ouders verantwoordelijk zijn voor het doen en laten van de leerlingen onder schooltijd. Gelukkig denkt de inspectie daar anders over. Die gaat er juist strenger op toezien dat scholen zich houden aan het wettelijk voorgeschreven aantal lesuren. Een enquête enige tijd geleden onder ouders met de vraag welke wensen ze hadden ten aanzien van het onderwijs wees uit dat zij juist wilden dat de school de leerlingen intensiever zou begeleiden; niet alleen onder schooltijd maar ook bij het maken van het huiswerk.
De tendens is duidelijk: het onderwijs is minder schools geworden. Met als gevolg meer eigen verantwoordelijkheid voor de leerling. Nu zijn lang niet alle jongeren in staat om die verantwoordelijkheid te dragen. Dus zie je dat de begeleiding door de ouders hier steeds vaker compensatie voor moet bieden. Die hebben evenwel lang niet altijd de kennis, de tijd of de lust om dat te doen. Maar aan de andere kant: zonder die extra steun redt menige leerling het niet. Dus kiezen steeds meer ouders voor betaalde huiswerkbegeleiding of, als dat niet afdoende blijkt, voor een particuliere school waar leerlingen intensief worden begeleid. Deze ontwikkeling verklaart hoe het komt dat huiswerkinstituten en particuliere scholen een ongekende bloeitijd doormaken.
De uitbesteding van huiswerkbegeleiding is prijzig en een particuliere school is slechts voor een enkeling betaalbaar. Toch kiezen veel ouders voor een dergelijke oplossing omdat het de enige mogelijkheid is om hun kinderen aan een diploma te helpen. Inmiddels hebben we te maken met een omvangrijke groep, vaak maar lang niet altijd allochtone, achterstandsleerlingen, waarvan het maatschappelijk belang wil dat ze een zo goed mogelijke opleiding krijgen. Hun ouders ontbreekt het in de regel aan de noodzakelijke kennis om hun kinderen de nodige begeleiding te geven. Het uitbesteden daarvan aan betaalde krachten is financieel niet haalbaar. De huidige onderwijsontwikkelingen zijn daardoor in het nadeel van de sociaal zwakkeren en staan de emancipatie van achtergebleven groepen in de weg. Als we het streven naar een algemene hogere scholing van de beroepsbevolking serieus nemen, dan moet iedereen de mogelijkheid worden geboden gebruik te maken van huiswerkbegeleiding. Dat is nu eenmaal de consequentie van hoe het huidige onderwijs functioneert. Veel leerlingen kunnen gewoon niet zonder. Dan is het niet langer een luxe, maar een noodzakelijke voorziening. Verstrekken we die noodzakelijke voorziening niet dan zadelen we deze leerlingen op met een extra handicap. De inrichting van ons voortgezet en van het beroepsonderwijs waarbij leerlingen steeds meer eigen verantwoordelijkheid krijgen is een belemmering voor wat betreft de sociale mobiliteit. Het maakt dus dat laag opgeleiden laag opgeleid blijven, het bestendigt de maatschappelijke verschillen en maakt dat veel intellectueel potentieel ongebruikt wordt gelaten. En, last but not least, het gaat ten koste van het levensgeluk van veel jonge mensen.

Universiteit en HBO
Terwijl het vroeger vanzelfsprekend werd gevonden dat de overheid geld beschikbaar stelde om het onderwijs voor iedereen toegankelijk te maken, wordt dit nu gezien als een ‘perverse maatregel’. In een gesprek met NRC Handelsblad lichtte PvdA-leider Wouter Bos deze opvatting toe met: “De slager op de hoek betaalt de studie van iemand die de kans krijgt een giga-inkomen te gaan verdienen. Dat is de omgekeerde wereld.” Waarmee Wouter Bos voorbij gaat aan het feit dat in het verleden talloze kinderen van slagers en andere kleine zelfstandigen onbezorgd hebben kunnen studeren van wie sommigen ongetwijfeld een giga-inkomen zijn gaan verdienen, maar velen, bijvoorbeeld degenen die in het onderwijs zijn gaan werken, minder dan sommige slagers op de hoek. Overigens staat de PvdA bepaald niet alleen in zijn opvatting dat studeren een persoonlijke investering is waarvan de kosten zo veel mogelijk door de betrokkene zelf moeten worden betaald. Die opvatting wordt gedeeld door alle grote politieke partijen en berust op een ernstige misvatting.
Voor de mensen met hogere inkomens maakt het niet uit of ze al dan niet substantieel moeten bijdragen aan de kosten van de studie van hun kinderen. Ongeacht de hoogte van hun bijdrage gaan die, als ze dat willen, toch wel verder studeren en zij doen dat in de richting die zij verkiezen. Een hoge bijdrage vormt daarentegen wel een drempel voor de lagere en middeninkomens. Een simpele rekensom van de kosten van lenen en de inkomenseffecten van een studie moge dan uitwijzen dat studeren een lucratieve investering is, het gaat daarbij om gemiddelden. Velen, en daarbij vooral de afgestudeerden uit lagere milieus, zitten beneden het gemiddelde rendement, want sociale achtergrond speelt ook een rol bij de carrière van academici. En daarnaast is er altijd het risico van een mislukte studie.
Als studeren een lucratieve investering is, dan geldt dat niet alleen de betrokkenen zelf, maar ook de overheid. Degenen die indertijd een door de overheid gefinancierde studie hebben gevolgd en later een giga-inkomen zijn gaan verdienen hebben de kosten van hun opleiding dubbel en dwars terugbetaald via de belastingen en degenen die na hun studie een modaal inkomen zijn gaan genieten hebben ook minder betaald. Kan het nog eerlijker? Het enige effect van een hogere bijdrage aan studie is dat het veel mensen afschrikt te gaan studeren en dat dit vooral geldt voor de lagere en middeninkomens. Doordat studeren wordt gezien niet als een voor de maatschappij in zijn geheel verantwoorde investering, maar als een persoonlijke, verantwoorde investering heeft deze visie op studeren een effect dat ik pervers zou willen noemen. De keuze van de studie wordt daardoor niet ingegeven door interesse, intellectuele nieuwsgierigheid, de verdere ontwikkeling van de eigen talenten, maar door de vraag of die investering later wel zijn geld zal opbrengen. Zou je dat wel doen, jongen, die kunstgeschiedenis of verder in de muziek, het moet later allemaal wel worden terugbetaald. Of: ga liever rechten of economie studeren in plaats van scheikunde, dan hoef je niet te lenen want dan houd je genoeg tijd over voor een baantje. En voor wie gelden al deze beperkende overwegingen? Inderdaad, voor de kinderen van de slager bij Wouter Bos op de hoek.
[ < terug ]

aanverwante artikelen: