Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



De teloorgang van het Scheveningse dialect
De teloorgang van het Scheveningse dialect

De teloorgang van het Scheveningse dialect


datum

28-01-2002

medium

Haagsche Courant

auteur

Jesse Budding

trefwoorden

taal, dialect, Schevenings, Haags

artikelnummer

BU/0835.000

prijs

Op aanvraag


Of het Schevenings anders was dan het Haags, durfde mijn buurman op de middelbare school begin jaren tachtig te vragen. Of het anders was? natuurlijk was het anders! Maar zijn vraag was veelzeggend. Hoewel er op school in Den Haag genoeg Scheveningers rondliepen, die al geen van allen meer het dialect spraken, dat zo veel verschilt van plat of bekakt Haags. Het enige dat mij onderscheidde van mijn Haagse klasgenoten was de vis die ik vaak op m'n brood had.

Bij mijn moeder – of liever Bep van bolle Bet – was, en is, dat een beetje anders. Zeker als ze op bezoek was bij wijlen mijn grootouders, die het Schevenings nog uit volle borst 'zongen'. Want het Schevenings golft als de zee, zoals in 'De Scheveningse woordenschat' van Dirkje Roeleveld terecht wordt opgemerkt.
Typerend voor het dorpse en naar binnen gekeerde karakter van het dorp zijn de benamingen voor buitenstaanders: vreemde en 'Eageneis' (Hagenees). Zelfs wie in het dorp was geboren en getogen maar een Katwijkse ouder had, bleef een vreemde. Hij of zij kon het hooguit schoppen tot 'annewaaid': aangetrouwde familie. De afschuw van alles wat in de hofstad woonde, blijkt wel uit termen als: 'Eagse sju' (opschepperij) en 'Biefstik op de bok en peardevles in de keuke', ook al synoniem voor Haagse bluf.

Maar de Scheveningse woordenschat kenmerkt zich natuurlijk ook door de vele termen die betrekking hebben op de visserij. 'Vrooger' (vroeger) betekende 'Achter Born'olm legge' in veiligheid liggen, 'het Brielse kerk'of' stond voor de Doggersbank en een 'tùiszèlers achje' voor een deel van de gevangen vis aan boord. Het Schevenings is als vissersdialect rijkelijk beïnvloed door vreemde talen. Zo kent het veel woorden die ontleend zijn aan het Engels: 'butter' en in vroeger tijden woorden als 'wurreld', 'krète' (van to cry), 'beloo' (onderdeks), 'brikforsje' (maaltje vis, van breakfast), 'zo wan en zo wan' (van and so on and so on), 'poebele kous' (café, van public house). Maar ook het Frans liet zijn erfenis na: 'femielje', 'van komsa' (van jewelste) en er zijn zelfs diverse woorden met Latijnse wortels terug te vinden: 'negosie' (vishandel), 'fiselemie' (gezicht, fysionomie), 'dilleberìre' (discussiëren), 'antinomijean' (goddeloze, iemand die zich niet onder de wet wil stellen) en 'sibbediksie' (gezag, van sibi dixit). Ook kent het Schevenings woorden die noch met het Nederlands noch met enige andere taal verband lijken te houden, zoals 'pand' (schatje). Kenmerkend voor het Schevenings ook is de neiging zaken om te draaien. 'Mijn pet is in de put gevallen' wordt zodoende 'Me put is in de pet evalle'. Scheveningers laten ook de h aan het begin van een woord weg. In een permanente vlaag van hypercorrectie zeggen ze echter vaak wel een h als een woord met een klinker begint. In de supermarkt kan een bejaarde Scheveningse rustig een pak homo afrekenen.

Tijdens mijn studie journalistiek leerde ik dat de stadsdialecten de laatste tijd steeds meer gaan afwijken van het ABN, terwijl de plattelandsdialecten daar juist steeds meer in opgaan. Het Schevenings behoort helaas tot die laatste categorie; het is de tongval van een dorp in een stad. Het weinige Schevenings dat je tegenwoordig nog onder jongeren hoort, is 'joi' (joh) en 'jea' (ja). De tongval van veel jonge Scheveningers heeft verder vaak iets of zelfs veel weg van plat-Haags.

En daarmee is de cirkel rond. Prof. dr. K. Heeroma, een voormalige hoogleraar in de Nedersaksische Taal- en Letterkunde, schreef namelijk: 'Het Schevenings van 1717 is in wezen geen ander dialect dan het plat-Haags (en het plat-Delfts) van een eeuw eerder, zoals we dat kennen uit het dialectisch gekleurde werk van Huygens, Westerbaen, Van der Venne en Van Santen. In de stad Den Haag is dit dialect in de loop van de zeventiende eeuw echter in sterke mate teruggedrongen, terwijl het zich in de gesloten vissersgemeenschap van het zeedorp Scheveningen tot op de huidige dag heeft kunnen handhaven'. Die tijden liggen inmiddels ver achter ons.

De Friese arts Johan Winkler schaarde het Schevenings in de negentiende eeuw onder het 'Strandhollands': de kustdialecten van onder meer Zandvoort, Noordwijk aan Zee en Katwijk aan Zee. Hij merkte in de negentiende eeuw op dat ze de merkwaardigste en belangrijkste zijn van de Hollandse dialecten en spreekt zelfs van de oorspronkelijkste en verreweg het zoetvloeiendste, klankrijkste Hollands dat er bestaat. Vreemd, want hij schreef ook: 'Voor 't gehoor heeft het Scheveningsch iets hards; iets raauws en iets terugstootends. Men gevoelt dat al die neusgeluiden eigenaardig tot twist en gekijf zijn geschikt; maar ongepast schijnen om liefde en welwillendheid uit te drukken?'. Eén ding staat vast: de Scheveningse visservrouwen zouden Winkler, indien zij hem gekend hadden, nooit een 'pand' genoemd hebben.
[ < terug ]

aanverwante artikelen: