Multidisciplinair onderzoek naar Victory Boogie Woogie |
|
datum plaatsing |
|
medium |
Kunstbeeld |
auteur |
Sandra Jongenelen |
Mondriaan kwam betrekkelijk snel tot de compositie van de Victory Boogie Woogie, zijn laatste onvoltooide schilderij dat sinds tien jaar in het Gemeentemuseum Den Haag hangt. De kunstenaar zette de grote lijnen op, schraapte ze gedeeltelijk weg en bracht de grote vlakken aan. Pas daarna volgde de detaillering, waarbij het vooral ging om het vinden van de juiste kleurtonen en de compositie van de kleine vierkantjes. Dat is de belangrijkste conclusie die een team van experts onder leiding van Maarten van Bommel – programmamanager schilderkunst bij het Instituut Collectie Nederland (ICN) – eind augustus presenteerde tijdens een symposium over het werk uit de jaren veertig van de vorige eeuw. Dit team verdiepte zich de afgelopen drie jaar in de Victory Boogie Woogie en bestaat uit onderzoekers, restauratoren en conservatoren van zowel het ICN als het Gemeentemuseum Den Haag. Het is voor het eerst dat het schilderij op allerlei vlakken onder handen werd genomen. Er werd zowel technisch wetenschappelijk onderzoek gedaan als gekeken naar primaire bronnen als tekeningen en brieven. Het onderzoek was buitengewoon arbeidsintensief, doordat het schilderij zo complex is. Alleen al met het blote oog zijn zeshonderd vierkantjes en rechthoeken te onderscheiden, maar de lagen daaronder geven nog meer prijs. In totaal zijn er meer dan tweeduizend vierkantjes en rechthoeken. De belangrijkste vraag – hoe is het werk tot stand gekomen? – is grotendeels beantwoord. Ook leerde het onderzoek dat de conditie van het schilderij het afgelopen decennium niet achteruit is gegaan. Met zijn losse stukjes plakband is en blijft het een fragiel schilderij, maar de manier waarop het wordt bewaard en tentoongesteld is goed. ‘Er is geen verval ten opzichte van tien jaar geleden.’ De Victory Boogie Woogie werd in 1998 voor tachtig miljoen gulden aangekocht met geld van De Nederlandse Bank en markeerde destijds de overgang van de gulden naar de euro. De aanwinst deed nogal wat stof opwaaien. Critici vonden dat het parlement bij de aankoop buiten spel was gezet. Anderen meenden dat de prijs te hoog was, maar velen beschouwden het na de Nachtwacht van Rembrandt en de Zonnebloemen van Van Gogh als icoon van de twintigste eeuw. Van de achttien maanden dat Piet Mondriaan (1872-1944) in zijn New Yorkse atelier met het werk bezig was, besteedde hij zes tot negen maanden aan de globale compositie. Op kleurgebied toonde hij zich een purist die meerdere lagen nodig had om de juiste kleur te vinden. In het blauw zijn er soms zeven lagen. Mondriaan lijkt daarmee een Pietje Precies, maar volgens Van Bommel is dat niet helemaal correct. Van zo iemand verwacht je heel nauwkeurige verfstreken, steeds hetzelfde, maar bij sommige vlakken lijkt hij wel te tamponeren; daar is de verf een beetje lobbig. Ook knipte hij de stukjes tape soms scheef af; toch ondenkbaar voor een Pietje Precies. Aan de andere kant was Mondriaan weer wel precies doordat hij al in een vroeg stadium exact in het hoofd had wat het moest worden.’ Uit UV-onderzoek bleek bovendien dat Mondriaan verschillende verftubes geel met elkaar mengde, ook niet kenmerkend voor een schilder die alles onder controle wil houden. Dat kwam aan het licht doordat in een deel van de gele vlakken een fluorescerende verfstreek zat, iets wat met het blote oog onzichtbaar is. Aanvankelijk stonden de onderzoekers voor een raadsel. Was er iets op het doek aan het degenereren? Maar aanvullend onderzoek liet zien dat de kunstenaar twee soorten cadmiumgeel had gebruikt, de Europese fluorescerende versie en een Amerikaanse tube die dat niet kende. ‘Waarschijnlijk was het geel op en had Mondriaan nog ergens een oud exemplaar uit Europa liggen en heeft hij de twee niet heel goed gemend.’ Uit het onderzoek blijkt ook dat Mondriaan de kleine en grote vlakken blauw anders behandelde. De grote zijn netjes en aanmerkelijk helderder blauw, bestaand uit een mengsel van kobaltblauw en synthetisch ultramarijn met soms wit of rood erbij vermengd, terwijl de kleine vlakjes slordiger en met synthetisch ultramarijn zijn geschilderd. Van Bommel vermoedt dat de grote vlakken echt klaar waren en dat Mondriaan de kleintjes snel opzette om ze later te kunnen aanpassen. Dat beeld onderbouwt de hypothese dat de kunstenaar relatief snel klaar was met de compositie en de grote vlakken. Met de kleine bleef hij tot de laatste dagen vóór zijn dood stoeien. Dat blijkt ook uit het verslag van een kennis die het schilderij zag tien dagen vóór Mondriaan naar het ziekenhuis werd gebracht waar hij uiteindelijk overleed. In zijn beschrijving telde het werk één of twee plakkertjes. In de staat die wij nu kennen zitten er zo’n honderd op. Dankzij een softwareprogramma waar geologen de bodem mee in kaart brengen, konden de onderzoekers het werk virtueel strippen tot het eruit zag als in de beschrijving. Van Bommel: ‘Door die twee naast elkaar te zetten, zie je hoe Mondriaan er ritme in heeft weten te brengen. Met de plakkertjes is het veel dynamischer, veel drukker.’ Het is voor het eerst dat het softwareprogramma Carta in de kunstwereld werd toegepast. Het wordt onder andere gebruikt voor de aanleg van de Noord-Zuid- metrolijn onder de Amsterdamse binnenstad. De onderzoekers kwamen er bij toeval mee in aanraking. Als de lagen in de bodem ermee zichtbaar gemaakt kunnen worden, waarom dan niet ook de verflagen van een schilderij? Het voordeel van het programma zijn de zoekopdrachten waardoor je patronen kunt gaan herkennen. ‘Geef me alle plekken met ultramarijn blauw of kobalt blauw. Of: geef alle plekken met weggeschraapte gele, blauwe of rode verf. Op die manier leer je het werk beter begrijpen.’ Behalve voor het analyseren doet Carta ook dienst als documentatiesysteem, legt Van Bommel uit. Ligt het aan hem dan breidt de softwarefabrikant de mogelijkheden uit, zodat het ook bij andere kunstwerken kan worden gebruikt. Dan kan je alle gegevens van een werk aan zo’n Carta-document hangen.’ Bij het symposium in het Gemeentemuseum Den Haag presenteerde het ICN de onderzoeksresultaten aan een publiek van circa honderd wetenschappers en andere belangstellenden. Daarbij waren niet alleen Mondriaankenners aanwezig, maar ook andere kunsttechnologisch onderzoekers, benieuwd naar de aanpak van de Victory Boogie Woogie. Van Bommel verwacht dat het onderzoek met de publicatie van een boek volgend jaar voorlopig is afgerond. Mogelijk komt er over tien tot vijftien jaar een vervolg. Dan hebben mensen weer een nieuwe blik en nieuwe apparatuur ter beschikking. ‘De Nachtwacht van de twintigste eeuw’, zoals staatssecretaris Rick van der Ploeg van Cultuur het schilderij tien jaar geleden noemde, roept waarschijnlijk voor elke generatie nieuwe vragen op.[ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
