Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



Kunst en particulier initiatief
Kunst en particulier initiatief

Kunst en particulier initiatief


datum plaatsing

medium

Boekman

auteur

Sandra Jongenelen


De commissie Cultuurprofijt presenteerde eind januari het rapport Meer draagvlak voor cultuur. Cultuurinstellingen moeten zich meer ondernemer tonen, marktgerichter werken en in toenemende mate eigen inkomsten verwerven, terwijl de overheid daarvoor de voorwaarden dient te scheppen. Wat was de aanleiding voor dit rapport, en wat behelzen al de plannen concreet?

Uitvoering van de plannen van de Commissie Cultuurprofijt vergt een investering van vijftien miljoen euro, een bedrag dat de voorgestelde bezuiniging van tien miljoen euro voor de sector deels compenseert. Ontstijgen de plannen de tekentafel en worden ze per 1 januari 2009 ingevoerd, dan verwacht de commissie niet alleen dat het aantal vissers in de vijver wordt vergroot, maar ook dat de vijver aanzienlijk zal groeien en er meer vissen in gaan rondzwemmen. Dat komt tevens de niet-gesubsidieerde culturele instellingen ten goede.
    Minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) wil ‘zo dicht mogelijk bij het advies van de commissie blijven’ en de voorstellen ‘in goed overleg met de sector verder uitwerken.’ Half juni, vlak voor het ter perse gaan van Boekman, kwam hij met een inhoudelijke reactie, waarin hij aankondigde volgend jaar een gehalveerde korting van 5 miljoen door te voeren om de sector in de overgangsfase tegemoet te komen. In 2009 leveren alle instellingen met een rijkssubsidie 1,7 procent in. In de jaren daarna is de bezuiniging 10 miljoen per jaar. Plasterk wijkt daarmee af van het advies van de commissie om de korting te koppelen aan de eigen inkomsten. Dat doet hij omdat op dit moment niet kan worden vastgesteld welke instellingen goed of juist niet goed presteren. Later worden minimumnormen voor eigen inkomsten vastgesteld.
De vereniging Kunsten ’92, waarin een groot aantal kunstinstellingen is vertegenwoordigd, heeft waardering voor de gefaseerde invoering, maar grote bezwaren tegen de algemene korting die Plasterk volgend jaar doorvoert. Dat is toch de kaasschaaf en zo worden ook de instellingen getroffen waar het ondernemerschap het meest succesvol is doorgevoerd. ‘De gedachte van de commissie Cultuurprofijt was juist dat de succesvolle instellingen zouden worden beloond en de achterblijvers worden geholpen het beter te doen. Nu worden alle instellingen getroffen en dat zal de kwaliteit en het maatschappelijk bereik van de sector eerder verzwakken dan versterken.’ (Noot: NRC Handelsblad, 11 juni 2008) Een principieel bezwaar van Kunsten ’92 is dat de minister kwaliteit en ondernemerschap op één lijn stelt. ‘Daarmee geeft de minister een wending aan de basis van het cultuurbeleid waarvan de gevolgen nog ongewis zijn. Bij het kunst- en cultuurbeleid zijn inhoud en kwaliteit het belangrijkst en daarbij hoort de Raad voor Cultuur de hoofdrol te spelen.’
    Na de presentatie van de plannen van de commissie cultuur stemde de Nederlandse kunstwereld in grote lijnen in met de verzakelijking die de commissie voorstelt. ‘Subsidie maakt ook lui, arrogant en gemakzuchtig’, bevestigde artistiek leider Ronald Klamer van Het Toneel Speelt (Zonder auteur 2008). Maar scepsis klinkt er natuurlijk ook. ‘Het is jammer dat economen steeds meer macht krijgen in de toneelwereld’, meent zakelijk leider Gerrit Dijkstra. (Ibid.) Kunsten ’92 waardeert het genuanceerde advies, maar waarschuwt voor al te grote voortvarendheid als het gaat om financiële constructies ter versterking van cultureel ondernemerschap. ‘Iedereen herinnert zich het echec van de film-cv.’ De instelling van nieuwe fondsen en financieringsvormen kan ook verkeerd uitpakken. ‘Meer nadruk op ondernemerschap leidt dan juist tot verarming van het Nederlands cultureel klimaat (…)’(www.kunsten92.nl).
    Tegelijkertijd rijst de vraag of de financiële impuls van vijftien miljoen euro er daadwerkelijk komt. Tijdens een bijeenkomst in februari sprak Aad Hogervorst namens het ministerie over tien miljoen. ‘Een denkbaar groeimodel is nodig om voor 2009 die min tien en plus tien tegen elkaar weg te strepen. Dat zou onderdeel van overleg met de sector kunnen zijn. Maar dat betekent dan wel dat er aan de pluskant niets voor investeringen beschikbaar is’ (Versteegh 2008, 4).

Forse aderlating
Nieuwe plannen, meer vissen, vissers en een grotere vijver. Maar wat was ook al weer de aanleiding voor het rapport en wat behelzen de plannen? We gaan terug naar februari vorig jaar, de dag waarop de Cultuurformatie haar eerste publieke bijeenkomst organiseert en het kabinet zijn regeerakkoord ontvouwt (ibid.). De culturele paragraaf maakt melding van een forse aderlating, want in het kader van het profijtbeginsel krijgen kunstinstellingen een bezuiniging van vijftig miljoen euro opgelegd.1) In veel hoofden klinkt gekraak. Wat is ook alweer het profijtbeginsel?
    De driedubbeldikke Van Dale spreekt over ‘een sociaal-politiek beginsel dat inhoudt dat openbare voorzieningen (bijvoorbeeld openbaar vervoer en onderwijs) zoveel mogelijk betaald moeten worden door degenen die er profijt van hebben.’ Vertaald naar de kunstwereld komt het neer op hogere toegangsprijzen. Wie van kunst geniet, moet er ook voor betalen. Achterliggende gedachte is dat het toch vooral de hogere inkomens zijn die cultureel shoppen. Die kunnen best wat meer bijdragen.
    De Raad voor Cultuur ziet niets in het voorgenomen profijtbeginsel en vraagt minister Plasterk zich met de rest van het kabinet nog eens te bezinnen op de maatregel. De plannen, meent de raad, zijn in strijd met het eigen beleid van de minister om juist méér mensen te laten participeren. De bezuiniging zal vooral hard aankomen bij kunstliefhebbers met een bescheiden portemonnee. Een bezoek aan de opera wordt onbetaalbaar, valt SP-leider Jan Marijnissen de Raad bij. Bezorgdheid komt ook uit de hoek van kunstinstellingen, waaronder het Koninklijk Concertgebouworkest, die vrezen dat de prijs van reguliere kaartjes omhoog schieten. Tabee publiek.

Afbrokkelend draagvlak
In de gesprekken die vertegenwoordigers van de Cultuurformatie vervolgens met de minister voeren, wordt nauwelijks over geld gesproken.2) Daar draait het vooral om de vraag achter de bezuiniging. Met de minister constateert het samenwerkingsverband een negatief beeld van de cultuursector en een afbrokkelend draagvlak. Geven aan cultuur is volgens velen elitair, waardoor het voor de overheid lastig is de uitgaven te legitimeren. Hoe dus de maatschappelijke betrokkenheid vergroten?
    De bijeenkomsten met Plasterk monden uit in de installering van de commissie Cultuurprofijt, die vijf maanden lang onderzoek doet naar de mogelijkheden om het draagvlak voor gesubsidieerde kunst en cultuur te versterken. Of anders geformuleerd: op welke manier valt de relatie tussen de culturele sector en de zakenwereld te bevorderen? Financieel ligt er een soort koehandel aan het onderzoek ten grondslag. De partijen spreken af dat de kunstwereld met ingang van 1 januari 2009 tien miljoen euro per jaar zal bezuinigen. Daar tegenover stelt minister Plasterk een investering van jaarlijks vijftien miljoen, bedoeld voor de instellingen die de korting krijgen opgelegd.
    De commissie Cultuurprofijt bestaat uit enkele boegbeelden uit de kunstsector, onder wie voorzitter Martijn Sanders, voormalig directeur van het Concertgebouw in Amsterdam, aangevuld met Morris Tabaksblat, ex-voorzitter van de raad van bestuur van Unilever. Zijn naam is tevens verbonden aan de code-Tabaksblat met regels over de beloning van topmanagers in het Nederlandse bedrijfsleven. De andere leden zijn Jet de Ranitz (vice-voorzitter, directeur Nederlands Dans Theater), Ryclef Rienstra (directeur VandenEnde Foundation), Cees van ‘t Veen (directeur Fries Museum en Keramiekmuseum Princessehof), Carolien Croon (secretaris, zelfstandig adviseur) en Femke Palstra (assistant, projectmedewerker Kunstenaars & Co en werkzaam op de kunstafdeling van ABN Amro).
    Ter voorbereiding van het rapport spreken de commissieleden met een groot aantal mensen uit de praktijk. Daarnaast kan ‘iedereen’ zijn ideeën kwijt op de website www.cultuurprofijt.nl. Onder het kopje Call for Ideas vallen de suggesties een paar maanden na het verschijnen van het advies nog altijd na te lezen. Enkele inzenders verwijzen naar de situatie in Groot-Brittannië, waar professionele theatergezelschappen worden ingezet om maatschappelijke problemen in bijvoorbeeld het onderwijs op de kaart te zetten. In dat verband wijst de schrijver op de onbegrijpelijke scheiding in Nederland tussen ‘echte’ kunstenaars en ‘welzijnskunstenaars’.
    Anderen brengen de Stichting Kunst & Zaken onder de aandacht, die er mede voor zorgt dat het bedrijfsleven zijn diensten pro bono aan de kunst- en cultuursector aanbiedt. Opmerkelijk is de bijdrage van een kunstenaar die acht jaar geleden van de kunstacademie kwam. Hij pleit voor afschaffing van individuele subsidies voor kunstenaars – ‘ze houden ons niet scherp’ – en zet in op investeringen in de aankoopkant. Ook houdt hij een pleidooi voor een mentaliteitsverandering bij opleidingen. ‘Opvallend is de angst voor commercie. Marketing is een vies woord.’ Zonder te weten heeft hij daarmee een belangrijk ingrediënt van het advies van de commissie Cultuurprofijt te pakken. Mentaliteitsverandering staat als begrip centraal, maar daarover later meer.

Financiële prikkels
Behalve via de website krijgt de commissie ook ideeën per post toegezonden. Wim Pijbes, directeur van de Kunsthal en per 1 juli directeur van het Rijksmuseum, stuurt tien financiële prikkels uit Rotterdam, waaronder een pleidooi voor de instelling van een Cultuurfonds. Zijn Kunsthal Cultuurfonds is nog steeds niet operationeel omdat de beheers- en vergunningskosten niet in verhouding staan tot het beoogde fondsvermogen van 250.000 euro. Ondanks het aanbod van ING, Robeco en Deloitte het fonds tegen kostprijs te begeleiden, moet er volgens Pijbes meer geld bij dan het oplevert. En dat kan niet de bedoeling zijn.
    Onder het kopje ‘energie’ schrijft Pijbes dat de cultuursector iets kan leren ‘van de boer’. ‘Waarom betalen musea en erfgoedinstellingen (…) energiebelasting en de volle aardgasprijs? (…) Een energiefiscale regeling zou uitkomst bieden, bij voorkeur Europees, conform landbouwsubsidies zoals in de glastuinbouw of goedkope dieselbenzine voor boeren.’
    Ook oppert hij de introductie van een nationaal blockbusterfonds. Alle musea profiteren van een toptentoonstelling à la ‘Rembrandt – Caravaggio’, maar geen van allen is in staat een meerjarige voorinvestering van een miljoen euro te doen. Een nieuw fonds zou uitkomst bieden. De investering komt overigens niet alleen ten goede aan de sector. Ook anderen, waaronder de taxi-, hotel- en horecabranche profiteren.
    Als tiende financiële prikkel neemt Pijbes het hoogopgeleid onbenut talent in asielzoekerscentra op de korrel. ‘Bedenk een “non-profit permit” voor Algemeen Nut Beogende Instellingen (…). Het is zo jammer dat allerlei internationaal potentieel zinloos zit te duimendraaien in afwachting van een status.’

Maatschappelijk draagvlak
Die laatste tip is prikkelend, maar duikt niet op in het rapport van de commissie Cultuurprofijt, dat onder de titel Meer draagvlak voor cultuur op de laatste januaridag van het jaar aan minister Plasterk wordt overhandigd. Centrale boodschap: Cultuurinstellingen moeten hun ondernemerschap vergroten. In de woorden van voorzitter Sanders: ‘Zelffinanciering is een goede graadmeter voor het maatschappelijk draagvlak van een culturele instelling.’ Het klinkt merkwaardig, maar de belangrijkste sleutels voor het vergroten van die financiële basis liggen volgens het rapport in handen van de overheid. Dat komt doordat het Rijk voorwaardenscheppend is.
    Een van de toverwoorden is de eerder genoemde fundamentele mentaliteitsverandering, zowel in de culturele sector als bij de overheid zelf. De voedingsbodem voor verandering is aanwezig. Een aantal jaren geleden zouden bepaalde initiatieven moeizaam van de grond komen, maar op basis van gesprekken met deskundigen concludeert de commissie dat de tijd nu rijp is.
    De belangrijkste aanbeveling betreft de instelling van een nieuw fonds, niet ter financiering van grote tentoonstellingen zoals Pijbes voorstelt, maar als instrument van matching. Tegenover iedere euro die een cultuurinstelling aan eigen inkomsten verwerft, staat een euro uit dit fonds. Naar schatting negentig instellingen kunnen gebruikmaken van de regeling. Gemiddeld zou iedere organisatie in drie jaar tijd 350.000 euro aan nieuw geld moeten genereren. Het zogenaamde matchfonds zou op 1 januari 2009 van start moeten gaan en is bedoeld voor rijksgesubsidieerde instellingen, omdat zij ook de lasten van de subsidiekorting van tien miljoen euro dragen.
    Dit voorstel is geënt op het Britse Incentive Fund dat vijftien jaar geleden voor een enorme toename aan eigen inkomsten zorgde. Het fonds fungeert ook als hefboom, want als het geld in een project steekt, komen sponsors en particulieren naar verwachting ook sneller over de brug.
    Om voor deze match in aanmerking te komen, geldt een aantal criteria, waaronder een nader te bepalen eigen inkomstennorm. Uit het rapport Prijsbeleid en eigen inkomsten dat Berenschot in opdracht van de commissie Cultuurprofijt verrichtte, blijkt dat podiumkunstinstellingen nu twintig tot vijfentwintig procent aan eigen inkomsten weten te verwerven. Bij musea hangt het percentage af van de uitstraling. Hoe internationaler des te meer eigen geld er binnenrolt; de percentages lopen uiteen van 1,4 tot 68 (Munster 2008a; 2008b).
    Het rapport roept de minister op een precieze norm voor het percentage eigen inkomsten te stellen. Elke instelling moet dat percentage halen of uitleggen waarom het niet lukt. Zit een organisatie er ongefundeerd onder, dan volgt een korting op de subsidie, maar in de praktijk zou dat slechts een klein aantal gevallen treffen. Van de maatregel moet een stimulerende werking uitgaan die nu volledig ontbreekt, want volgens de huidige regels verliest een kunstinstelling een deel van haar subsidie als zij ‘te veel’ eigen inkomsten verwerft.
    Toekenningen uit het matchfonds worden gedaan op basis van bedrijfsplannen. Is zo’n plan niet sterk genoeg of is de organisatie niet in staat het initiatief succesvol uit te voeren, dan kan een instelling een jaar lang op de zwakke punten worden gecoacht.

De sector upgraden
Het matchfonds maakt deel uit het Programma Cultureel Ondernemerschap, waarbij ook wordt geprobeerd de sector als geheel te upgraden door nieuwe samenwerkingsverbanden aan te gaan. Bij deze innovatieregeling valt te denken aan het bevorderen van deskundigheid, strategische marketing, collectieve en internationale marketing, samenwerking met de publieke omroep of samenwerking met andere partners als de Stichting Kennisland, universiteiten of hogescholen. In zowel het Matchfonds als de innovatieregeling dient het ministerie jaarlijks vijftien miljoen euro te investeren. Sanders: ‘Dit programma is een noodzakelijke vitamine-injectie om de culturele sector structureel meer draagvlak te bieden.’
    Na drie jaar kan het Matchfonds plaatsmaken voor een privaat-publiek investeringsfonds dat ook openstaat voor niet-rijksgesubsidieerde instellingen. Deze investeringsmaatschappij verstrekt geen subsidies, maar investeert risicokapitaal dat met rendement moet worden terugbetaald. Als er vanuit private partijen tien miljoen euro in de investeringsmaatschappij is ondergebracht, wordt van de overheid eenzelfde bedrag gevraagd.
    Inspiratie voor de investeringsmaatschappij putte de commissie uit het Belgische CultuurInvest en de ervaringen met de Nederlandse PAKC. Deze Participatiemaatschappij voor Kunst en Cultuur werd in 1999 opgericht en ging vijf jaar later ter ziele. Ze was te klein om tot een echt risicodragende portefeuille te komen. Daarbij waren de ingediende plannen van een zeer slechte kwaliteit en hadden de instellingen een veel intensievere begeleiding nodig dan PAKC kon bieden.
    Om die reden waarschuwt Kunsten ’92 voor publiek/private financiering, maar de commissie heeft er hoge verwachtingen van. Bijplussen via het matchingprincipe trekt een grotere groep over de streep dan een belastingkorting en zorg voor hogere giften, aldus het rapport.

Meer mecenassen
Om het maatschappelijk draagvlak te vergroten, zijn meer maatregelen nodig. Zo moeten culturele instellingen de komende jaren marktgerichter werken. Het kan zijn dat instellingen bij hun vierjarige subsidieaanvraag ook een gedegen marketingplan moeten toevoegen. Een nieuwe doelgroep aanboren, kan op meerdere manieren. Bijvoorbeeld door het inzetten van een Museumplusbus om mensen die slecht ter been zijn naar het museum te brengen. Of zoals in het geval van een filmdistributeur, via de Turkse middenstand.
    En dan zijn er een hele reeks andere aanbevelingen om particulieren en het bedrijfsleven meer bij de cultuursector te betrekken. In de particuliere markt zouden met hulp van de overheid meer mecenassen kunnen opstaan. De commissie laakt de houding van veel politieke bestuurders. Er heerste achterdocht (‘schenken riekt naar belastingontduiking’), vrees voor inmenging (‘schenkers willen grip op de cultuuruitingen’), naïviteit (‘schenkers mogen hun geld doneren, zolang de overheid maar besluit over de besteding’) en gebrek aan historisch besef (‘de overheid financiert de kunsten’). Die houding is volgens de commissie aan het verdwijnen en moet definitief overboord. In het verlengde daarvan wil de commissie de schijnwerpers op praktijkvoorbeelden richten. Ook wordt de instelling van een jaarlijkse prijs voor de toonaangevendste mecenas van het jaar bepleit.
    De mogelijkheden voor het vergroten van draagvlak binnen het bedrijfsleven zijn volgens de commissie legio en lang niet altijd in financiële termen uit te drukken. Voor sponsoring kan dat wel en bedroeg de geschatte bijdrage aan kunst en cultuur 135 miljoen euro (2005). Met álle sponsoring was dat jaar ongeveer 1.1 miljard euro gemoeid. Om het bedrijfsleven van de toegevoegde waarde van cultuursponsoring te overtuigen, zijn volgens de commissie voorbeelden van anderen noodzakelijk.
    Ook kan de band met andere beleidsterreinen sterker. Cultuur kan een rol spelen bij de bestrijding van armoede of ter bevordering van het dierenwelzijn, getuige het project waarbij kunstenaars een speeltje voor wroetende varkens ontwikkelden. De kunst- en cultuursector staat niet los van de maatschappij, maar maakt er deel van uit.
    Tot slot de reactie van de directie van het Scapino Ballet Rotterdam. Ed Wubbe en Harald Moes vegen het rapport van de commissie Cultuurprofijt van tafel. ‘Als deze selecte groep van zwaargewichten (…) zich even kwaad zou maken, dan kon het hele bedrag van 181 miljoen euro dat de gezamenlijke cultuurinstellingen aan de rijksoverheid hebben gevraagd voor de instandhouding van onze kunsten, worden losgepeuterd. (…) 181 miljoen voor 314 cultuurinstellingen. Geachte dames en heren Van der Hoeven, Vogelaar, Plasterk, Balkenende, Bos en Rouvoet. U bent allen spekkoper. Grijp die kans. Voor 181 miljoen kan en wil de hele kunstsector kennelijk al die prachtige plannen uitvoeren.’
    Deze brief vertolkt het onbegrip binnen de kunstwereld. Den Haag ziet het belang niet in. Onbedoeld wordt daarmee de vinger op de zere plek gelegd; daar draait het veel meer om dan de centen. Het is aan de commissie Cultuurprofijt om de noodzaak duidelijk te maken. Dan komt het ook wel goed met het geld. Want inderdaad: de Rijksbijdrage voor cultuur is een schijntje.
    Ter afsluiting even wat appels en peren met hun prijskaartjes. De overheid heeft al meer dan 1 miljard euro in de ontwikkeling van de OV-chipkaart geïnvesteerd. Minister Vogelaar kreeg eerder dit jaar 200 miljoen euro extra voor de aanpak van veertig (sic) prachtwijken. De kosten in de kinderopvang rijzen de pan uit; dit jaar werd al 1,2 miljard meer uitgegeven dan begroot. En vorig jaar kopte de Volkskrant dat de missie in Uruzgan al 1,2 miljard euro kostte (Trommelen 2007). Kunstwereld creëer draagvlak. Dat is de crux.

Literatuur
Jongenelen, S. (2008) ‘Laat duizend lobby’s bloeien’. In: Boekman, jrg. 20, nr. 74, 23-27.
Munster, O. van, Th. Syderius en A. Verhoeven (2008a) Prijsbeleid en eigen inkomsten musea. Utrecht: Berenschot.
Munster, O. van, Th. Syderius en A. Verhoeven (2008b) Prijsbeleid en eigen inkomsten podiuminstellingen. Utrecht: Berenschot.
Sanders, M. (voorz.) (2008) Meer draagvlak voor cultuur: advies Commissie Cultuurprofijt. Amsterdam: Commissie Cultuurprofijt.
Trommelen, J. (2007) ‘Uruzgan kost nu al 1,2 miljard euro’. In: de Volkskrant, 25 oktober.
Versteegh, M. (2008) ‘De cultuurfabriek van Plasterk’. In: Nieuwsbrief Kunsten ’92, nr. 38, 3-4
Zonder auteur (2008) ‘Kunstsubsidie maakt lui en gemakzuchtig’. In: NRC Handelsblad, 1 februari.

1) De Cultuurformatie werd twee jaar geleden opgericht door Kunsten ’92, de Federatie van Kunstenaarsverenigingen, de Federatie Werkgevers Cultuur en FNV Kiem. Zie: Jongenelen 2008.
2) In de beeldende kunst moet de KunstKoop op basis waarvan particulieren kunst op afbetaling kopen tegen nul procent rente, het ontgelden. Afschaffing van de maatregel moet tot een bezuiniging van 800.000 euro leiden, maar in december 2007 verwijst de Tweede Kamer het voorstel naar de prullenbak.
[ < terug ]

aanverwante artikelen: