Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



Roel in ’t Veld
Roel in ’t Veld

Roel in ’t Veld


datum plaatsing

26-apr-08

medium

NRC Handelsblad

auteur

Leo Prick


Impliciet

Mensen die hun tijd gehad hebben, maar zich vast blijven klampen aan de illusie het voor het zeggen te hebben. Dat heeft iets tragisch, die arrogantie van de tanende macht. We zagen dat tijdens de verhoren van de verantwoordelijke politici door de commissie Dijsselbloem. Zowel Wallage als Netelenbos greep de gelegenheid aan om een college praktische politiek te geven. Kritische vragen over hun handelwijze in het verleden werden door de vroegere staatssecretarissen afgedaan als de naïeve veronderstellingen van jongens en meisjes die nog heel veel moeten leren. Die houding was natuurlijk niet verstandig want die resulteerde in het tegendeel van wat ze, naar ik aanneem, wilden bereiken: begrip kweken voor de keuzes die zij indertijd hadden gemaakt. Heel anders was opvallend genoeg de houding van Ritzen. De vroegere minister van Onderwijs greep zijn komst naar Den Haag aan om met de commissieleden in debat te gaan en voerde de argumenten aan waarom hij indertijd had gehandeld zoals hij had gedaan. En zo hoort het natuurlijk ook.
Vorige week trof u op de opiniepagina van deze krant een uitgebreide beschouwing aan van Roel in ’t Veld over “het broddelwerk van Dijsselbloem”. Zijn naar de commissie toe neerbuigende stijl van betogen lag geheel in de lijn van die van genoemde ex-staatssecretarissen. Na een lange aanloop die suggereerde dat het een logisch voortvloeide uit het ander, toverde In ‘t Veld zo maar plotsklaps de kern van zijn kritiek op het rapport-Dijsselbloem uit zijn hoge hoed: “Met het verwijt dat de politiek het onderwijs heeft overladen met politieke ambities, vindt het rapport zijn hoogtepunt. Impliciet betoogt de commissie dat het niet geoorloofd is om er naar te streven dat ieder kind, ongeacht afkomst, recht heeft op ontplooiing van zijn talenten. Dan immers zal een onderwijsstelsel dat ongelijke kansen compenseert, het politieke doel zijn. Over de volle breedte van de Nederlandse politiek is deze doelstelling decennialang aanvaard. En nu ineens neemt de commissie hiervan afscheid.”
Impliciet betoogt de commissie… Geheel ongecontroleerd moet de lezer aannemen dat dit inderdaad het geval zou zijn, want aannemelijk gemaakt wordt het nergens. Daarmee is het niet meer dan een ordinaire verdachtmaking. Duidelijk is overigens wel wat In ’t Veld in deze passage expliciet betoogt, namelijk dat de door de commissie onderzochte vernieuwingen tot doel hadden de kansen van de sociaal zwakkeren te verbeteren. Laten we die daarom één voor één langs lopen. De invoering van de basisvorming was louter een politieke prestigekwestie. Zowel de partijleiding als de Tweede Kamerfractie van de PvdA eisten de invoering daarvan als genoegdoening voor de gemankeerde middenschool. De schaalvergroting die hiermee gepaard ging kan moeilijk worden uitgelegd als zijnde ten gunste van sociaal zwakkeren. Dat geldt in nog sterkere mate voor de invoering van het studiehuis: als gevolg daarvan beleven huiswerkinstituten gouden jaren. En dat, neem ik aan, niet dankzij de toevloed van minder bedeelde kinderen. De invoering van het vmbo heeft geleid tot een tweedeling na de basisschool die in de praktijk, aldus de OESO, meer wordt bepaald door sociale achtergrond dan door de capaciteiten van de leerlingen. Allemaal ontwikkelingen dus in het nadeel van kinderen uit achterstandsmilieus. Dat geldt ook voor de bevinding in het rapport dat “door de invoering van de tweede fase de doorstroom van havo naar vwo, en van mavo naar havo zeer sterk is gedaald.”
Het is natuurlijk mooi van In ‘t Veld dat hij zijn politieke makkers een handje wil helpen, maar met zo’n onzinnig en krakkemikkig verhaal bewijst hij noch zijn vrienden noch zichzelf een goede dienst.

[ < terug ]

aanverwante artikelen: