Sommige scholen slagen er niet in hun leerlingen het verplichte aantal lesuren te geven omdat er veel lessen uitvallen als gevolg van ziekte, het ontbreken van vervanging bij zwangerschap, of omdat er voor een vertrekkende leraar te laat een opvolger wordt gevonden. Of omdat er onder schooltijd veelvuldig wordt vergaderd of bijgeschoold. Leerlingen worden naar huis gestuurd of verplicht om tijdens loze tussenuren in of om de school rond te hangen.
Scholen die afwezige docenten niet vervangen of een vacature te laat opvullen, sparen daarmee geld uit. Ik heb het altijd wonderlijk gevonden dat er niets werd ondernomen tegen de absurditeit dat scholen die tekort schieten daar financieel beter van worden. Het lijkt mij dan ook volslagen terecht als deze scholen door het ministerie een boete krijgen opgelegd.
Wat doen sommige scholen nu om een dergelijke afstraffing te ontlopen? Ze laten de leerlingen tijdens de tussenuren niet langer rondhangen, maar stoppen enkele klassen bij elkaar in een hok, noteren de uren dat ze zo bijeen zitten als lesuur, en voldoen daarmee, althans op papier, aan het verplichte aantal lesuren. Dit ophokken wordt aan de leerlingen gepresenteerd als een verplichting die de overheid de scholen zou opleggen. Maar daar is helemaal geen sprake van. Nergens in de ministeriële richtlijnen wordt gerept over een ophokplicht voor leerlingen. Wel wordt gesproken over een verplicht aantal lesuren, maar van lesgeven is in dit geval natuurlijk geen sprake. Wel maakt dit voorbeeld duidelijk dat het aantal papieren lesuren weinig zegt over de vraag of een school al dan niet tekort schiet.
De overheid heeft de organisatie van het onderwijs overgedragen aan de besturen van de scholen, maar de overheid blijft natuurlijk wel verantwoordelijk voor de kwaliteit ervan. Dit laatste brengt voor de minister de verplichting met zich mee erop toe te zien dat scholen hun taak goed vervullen. Als er op papier te weinig les wordt gegeven, kan dat een reden zijn zo’n school nader onder de loep te nemen, maar als de resultaten goed zijn en de ouders vrede hebben met de wijze waarop de school het onderwijs organiseert, is er niets aan de hand. Te weinig lesuren houdt dus niet automatisch in dat sprake zou zijn van gebrekkig onderwijs.
En wat betreft de scholen die wel voldoen aan het vereiste aantal lesuren is het wenselijk na te gaan hoe de lestijd wordt gevuld. Daarmee komen we op een veel fundamenteler probleem, namelijk de vraag hoe dat toezicht is ingericht. Dat wordt namelijk steeds meer geformaliseerd in de vorm van kerncijfers zoals slagingspercentage, aantal zittenblijvers, het gemiddelde examencijfer en nu dus ook het aantal lesuren. Maar naarmate de scholen hun autonomie gebruiken om een eigen karakter te ontwikkelen, bijvoorbeeld door het onderwijs in een onorthodoxe vorm te gieten of zich te richten op een doelgroep met veel taalzwakke leerlingen, zijn die objectieve maatstaven steeds minder toereikend. Het gevolg hiervan is dat cijfers op zich steeds minder zeggen: op een traditionele school is het aantal gegeven lesuren simpel te tellen, maar hoe doe je dat op een school die de leerlingen allemaal op hun eigen wijze laat nieuwleren?
Het overdragen van de verantwoordelijkheid voor de organisatie van het onderwijs aan de besturen had gepaard moeten gaan met een uitbreiding van de inspectie en veel meer lijfelijke aanwezigheid van inspecteurs in de scholen. In plaats daarvan is er op de inspectie bezuinigd en heeft het toezicht steeds meer een papieren karakter gekregen. En, zoals u weet: papier is geduldig.
Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.