Enige tijd geleden vertelde ik op een bijeenkomst van de LVVN, de Landelijke Vereniging Van Neerlandici, over de ontwikkelingen die het schoolvak Nederlands heeft doorgemaakt. Binnen dat vak is de aandacht steeds meer verschoven naar taalbeheersing.
Discussievaardigheid, luisteren en spreken zijn natuurlijk heel belangrijk, maar dat iets belangrijk is, is op zich nog niet voldoende reden om het op school te onderwijzen. Intelligentie is ook heel belangrijk en daarmee nog geen schoolvak. Een schoolvak dient namelijk te voldoen aan de eis dat het leerbaar moet zijn. Daarnaast moet ook min of meer duidelijk zijn aan welke niveau-eisen leerlingen moeten voldoen.
Voor het eindexamen havo geldt: “Mondelinge taalvaardigheid wordt getoetst door middel van een voordracht met vragen na, door middel van een discussie of door een combinatie van beide. De voordracht met vragen na kan door meer kandidaten (maximaal 3) in samenwerking worden voorbereid en gehouden; de discussie wordt gevoerd door maximaal 6 kandidaten. Voor de beoordeling wordt bij de toetsen gebruik gemaakt van een beoordelingsmodel waarin de beoordelingscriteria zijn opgenomen. De beoordelingscriteria die worden gehanteerd, zijn vooraf aan de kandidaat bekend gemaakt.”
Inderdaad, niets over de eisen, alleen over de procedure. En dat geldt voor alles. Tot in het ridicule. Zo staat er niet dat de kandidaat voor het verzamelen van informatie gebruik kan maken van ICT, nee, dat wordt ook nog eens als volgt gepreciseerd:
“raadplegen van (hyper)teksten, gegevens, beeld en geluid in (multimediale) bestanden, gegevensbanken en informatiesystemen met behulp van een computer(netwerk);
geautomatiseerde zoeksystemen in bibliotheek en mediatheek;
telecommunicatie, zoals e-mail, discussie- en nieuwsgroepen;
tekstverwerking;
rekenmachine of grafische rekenmachine;
wiskundige bewerkingen;
spreadsheets, modellen en simulaties;
verwerking en beheer van gegevens in gegevensbanken en informatiesystemen;
maken van (multimediale) presentaties.”
Waarom is deze ontwikkeling rampzalig? Omdat de eisen die worden gesteld steeds meer een procedureel en steeds minder een inhoudelijk karakter krijgen. De eindeloze reeksen eisen waaraan procedures dienen te voldoen wekken de suggestie dat die heel concreet zijn, terwijl juist het tegendeel het geval is. Zoals: “De presentatie van het verrichte werk vindt op één van de volgende wijzen plaats” en dan volgt alles wat je ook maar kunt bedenken:
“een geschreven verslag (onderzoeksverslag, verhalend verslag, recensie, verslag van een enquête of weergave van een interview);
een essay of artikel (uiteenzetting, beschouwing of betoog);
een mondelinge voordracht (uiteenzetting, beschouwing of betoog, forumdiscussie);
een reeks stellingen met onderbouwing;
een posterpresentatie met toelichting;
een presentatie met gebruik van media (audio, video, ICT).”
Ik maakte de verzamelde Neerlandici het verwijt dat zij met deze ontwikkeling hun vak hadden verkwanseld, maar dat, zo werd mij verzekerd, hadden hun voorgangers gedaan. Zij waren juist bezig het weer te heroveren.
Ter afsluiting werden we getrakteerd op een lezing van André van Dijk. Een lezing was het eigenlijk niet, meer een demonstratie van hoe boeiend een les kan zijn die wordt gegeven door een begenadigde en deskundige leraar. Het zijn bofkonten de leerlingen van het Christelijk Lyceum Veenendaal die hem als leraar hebben.
Zo’n begenadigde en deskundige docent zal hoe dan ook altijd een voor de leerlingen zinvolle invulling geven aan zijn vak. Maar begenadigde docenten, zij zijn altijd uitzonderingen geweest en deskundige docenten, daar zijn er steeds minder van.
Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.