Remedie tegen lerarentekort
Toen ik in de jaren tachtig onderzoek deed naar de loopbaan van leraren stelde ik onder meer de vraag wat hen had bewogen om voor dat beroep te kiezen. Al vlug werd mij duidelijk dat van kiezen maar zelden sprake was geweest. Een deel van de leraren was begonnen als onderwijzer. De kweekschool, werd mij verteld, was indertijd de universiteit voor de gewone mensen. Naast hun werk als onderwijzer hadden ze in deeltijd een eerstegraads opleiding gevolgd en waren zodoende leraar geworden in het voortgezet onderwijs.
De andere categorie betrof de leraren met een universitaire opleiding. Zij vertelden mij dat ze halverwege hun studie een paar uur waren gaan lesgeven. Dat aantal had zich op aandringen van de school geleidelijk uitgebreid want er was een schreeuwende behoefte aan leraren. Gaandeweg hadden ze steeds meer plezier gekregen in hun werk en zo waren ze tot het besluit gekomen om af te zien van het beroepsperspectief waar ze ooit hun studie mee waren begonnen.
Het gros van de leraren, zo bleek dus, had nooit voor het beroep gekozen, ze waren er geleidelijk in gerold. Dat inrollen werd vergemakkelijkt door het feit dat studenten in die jaren meestal ook hun pedagogische aantekening, hun onderwijsbevoegdheid, behaalden. Dat kostte slechts een paar maanden en soms leerde je er dingen die, ook als je geen leraar werd, best nuttig waren om te weten of te kunnen. Baatte het niet, het schaadde ook niet.
Toen werd op de universiteiten de tweefasenstructuur ingevoerd. Ter wille van de werkgelegenheid ging iedereen argumenten bedenken en lobbyen voor een zo uitgebreid mogelijke tweede fase. De universitaire lerarenopleidingen hebben dit spel buitengewoon handig gespeeld. Verwijzend naar de huisarts die na zijn doctoraal examen ook niet zo maar op de patiënten mag worden losgelaten, kregen ze gedaan dat de pedagogische bevoegdheid een uitgebreide postdoctorale opleiding werd. Ik herinner me nog levendig hoe in die kringen het glas werd geheven toen die vis was binnengehaald. Maar het uiteindelijke resultaat was precies het tegendeel van wat men beoogde. Die nieuwe regeling bracht namelijk helemaal niet het extra werk mee waar het allemaal om was begonnen, want wie wilde er nog zo’n lange opleiding gaan volgen die niets te maken had met je eigen interesses. Dat deed alleen de enkeling die vast van plan was om leraar te worden.
Wat de motivatie voor het leraarsberoep betreft, is er de afgelopen decennia niets veranderd. Er zijn nog steeds weinig studenten die dromen van een loopbaan als leraar. Maar het verschil met vroeger is dat de mechanismen die er toen toe leidden dat studenten het beroep binnen rolden, zijn verdwenen. Die mechanismen moeten we weer in ere te herstellen. Dus, lerarenopleiders, houd op met dat gewichtige gedoe dat je van alles en nog wat over onderwijs en pedagogie moet weten voor je mag worden losgelaten op leerlingen. Dat hebben jullie indertijd enkel en alleen bedacht om jullie bedreigde positie veilig te stellen. Geef studenten weer een korte opleiding, waarna ze in een goed betaalde bijbaan als leraar kunnen gaan werken. Als het bevalt, blijven ze. Misschien niet hun hele leven, maar een tijdje. Ook heel verfrissend voor iedereen.
Willen we serieus iets ondernemen tegen het lerarentekort dan is de allereerste vereiste een situatie te creëren waarin jongeren ervaren hoe het is om les te geven. Het is toch te gek voor woorden dat, terwijl er een schreeuwend tekort is aan leraren, talloze studenten die dat werk uitstekend zouden kunnen doen, in plaats daarvan vakken vullen of werken in de horeca.
Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.