SUNA kijkt of jongeren wel uit het ravijn klimmen |
|
datum plaatsing |
3-mei-08 |
medium |
AD Haagsche Courant |
auteur |
Jesse Budding |
Meiden van Turkse en Hindoestaanse afkomst doen vaak mislukte zelfmoordpogingen. SUNA houdt de vinger aan de pols zodat ze zich uit de problemen kunnen vechten. Onlangs zetten diverse Haagse gezondheidsinstellingen samen met de gemeente hun handtekening onder het Suïcide Nazorg(SuNa)-traject. SuNa houdt jongeren tussen 13 en 25 goed in beeld na een zelfmoordpoging zodat ze goede nazorg krijgen. Om te voorkomen dat ze terugvallen in hun gedrag. Een suïcidepoging eindigt meestal in het ziekenhuis. Dat richt zich op fysieke zaken als spoelen van een overdosis medicijnen of het hechten van wonden. Bijna altijd schamen de jongeren zich kapot voor hun gedrag. ‘Wat heb ik gedaan?’, is vaak hun eerste reactie. In het ziekenhuis krijgen ze in principe bezoek van de GGZ-crisisdienst, maar soms komt die te laat. Soms glippen er dan ook jongeren tussendoor: ’t is alweer over, wegwezen hier! “Wij zeiden: tussen de poging en de hulpverlening zit nog een niemandsland”, aldus Marion Ferber, preventiecoördinator/casemanager bij SuNa. “Vergeet niet dat sommige ziekenhuizen honderd mensen per dag binnenkrijgen. Een hectische wereld dus waarin geen tijd is voor een gesprek. Dan is het goed dat iemand tegen deze jongeren zegt dat ze gebeld worden.” Degene die binnen twee weken opbelt, is Ferber zelf. Zij houdt ook in de gaten of de persoon in kwestie bij Parnassia of De Jutters belandt. Ferber: “Daar moeten ze leren het onbespreekbare bespreekbaar te maken. Bijvoorbeeld dat de lievelingsbroer van je moeder altijd aan je zit.” Als ze nog niet in de hulpverlening zitten, meld ik ze direct aan.”Binnen twee, drie weken hebben ze daar dan hun eerste gesprek. Het moet snel gebeuren, want ze zijn kwetsbaar.” En Ferber volgt ze niet alleen de eerste dag, nee, een half jaar lang.” Dit alles met als doel dat de jongeren niet terugvallen. Volgens de preventiecoördinator met succes, want SuNa telde in meer dan een jaar maar een geval van recidive. “Dan weet je genoeg.” Onder de meiden scoren vooral de Turkse en Surinaamse (lees: Hindoestaanse) opvallend hoog: zij doen 27 respectievelijk 25 procent van alle pogingen – let wel: de jongens erbij inbegrepen. Terwijl van de Haagse 10-25-jarigen maar circa 11 procent Turks is en 13 procent Surinaams. Ferber schreef in 2006 met psychologe Indra Boedjarath onder meer hierover het artikel ‘Verborgen verdriet’ in het blad Cultuur, Migratie en Gezondheid. De ouders verwachten dat hun kinderen trouw blijven aan hun eigen cultuur. Daarnaast moeten ze goede cijfers halen op school. “Deze eisen van huis uit plaatst menige jongere onder grote druk, wat op school juist kan leiden tot faalangst (…). Ondertussen ervaren de jongeren tegelijkertijd de druk van leeftijdgenoten van allerlei komaf om mee te doen met de groep en de bijbehorende gedragingen. Een dergelijk conflict brengt allochtone jongeren vaker in een spagaat dan autochtone.” Om een voorbeeld te geven: enerzijds moet een meisje met haar maagdelijkheid de familie-eer hoog houden, terwijl ze daardoor op school eerder buiten de groep autochtonen zal vallen. Dit soort spagaten kunnen in het uiterste geval uitmonden in een zelfmoordpoging. “Na langdurig onbehagen zit de emmer dan vol”, constateert Ferber. “Er hoeft maar iets te gebeuren, een kleine aanleiding is voldoende.” Wellicht vergroot het (islamitische) geloof nog meer de schaamte bij de Turkse meisjes. “Het is een drempel”, zegt Ferber daarover. “Je weet dat zoiets niet mag. Zo’n daad is sowieso al schaamtevol, maar ook niet weer bij iedereen. Er zijn zulke verschillende types onder.” Des te opvallender is het feit dat de Marokkaanse meiden in Den Haag met maar 5 procent juist zijn ondervertegenwoordigd. Hoe dat komt weet Ferber zelf eigenlijk niet precies: “Vroeger heb ik op school – ik kom uit het onderwijs - wel meegemaakt dat ze behoorlijk fel kunnen reageren. Maar dat kun je niet veralgemeniseren.” Allochtone jongens vallen in het onderzoek trouwens niet erg op. “Jongens komen meer in actie als ze zich slecht voelen”, aldus Ferber. “Dat kan ook zijn tegen een lantaarnpaal trappen of tot bloedens toe muren kapot stompen. Dat kan opluchting geven. Ze zijn, kortom, agressiever in het uiten van hun ongenoegen. Maar ook hier geldt: het is een generalisatie. Sommige meiden doen precies hetzelfde.” [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
