De boekenkast van Pjotr Müller |
|
datum plaatsing |
|
medium |
Kunstbeeld |
auteur |
Sandra Jongenelen |
Achttien was Pjotr Müller (1947) toen hij Herinneringen, dromen, gedachten van Carl Jung las. In het boek beschrijft de Zwitserse psychiater een droom, waarin hij door zijn huis aan het Züricher Meer loopt. Gaat hij van de zolder via de eerste verdieping naar de kelder dan passeert hij drie fasen van de kunstgeschiedenis. Onder de nok staan de hedendaagse beelden, terwijl de oudste mythologische beelden onder de grond zijn ondergebracht. Het eerste werk dat Müller op basis daarvan maakte, bleek te gevaarlijk en kon daarom niet worden uitgevoerd. Bijna twintig jaar later volgde een veiliger ontwerp dat vorig jaar een plek kreeg in de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum. Daar mag Het huis van dr. Jung op een natuurlijke manier vergaan. Het lijkt opmerkelijk dat een boek van zo lang geleden tot een recent werk leidt, maar de kunstenaar vindt het niet zo vreemd. ‘Veel van wat je tussen je achttiende en dertigste leest en meemaakt, is je werkmateriaal’, legt hij uit. ‘In die fase ben je het meest ontvankelijk en is je bevattingsvermogen het grootst.’ Zo behoort ook nog steeds Eeuwige schoonheid van Ernst Gombrich, dat hij op de Rietveldacademie kreeg aangereikt, tot zijn favorieten. Pas onlangs las hij van dezelfde auteur Een kleine geschiedenis van de wereld. De Oostenrijkse kunsthistoricus schreef het boek waarin hij de geschiedenis aan kinderen uitlegt toen hij 26 jaar oud was. Müller noemt het verplichte kost voor kunstenaars. Na publicatie in 1936 werd het door de nazi’s verboden omdat het te pacifistisch zou zijn. In de jaren zestig volgde een heruitgave en verscheen het in twintig talen. Ook De geschiedenis van de bijbel, een cursus van Teleac, behoort tot de categorie boeken die indruk maken. Hij las het zo’n twintig jaar geleden, nadat een vriend hem erop attent had gemaakt en destilleerde er het idee uit dat Bijbelse verhalen steeds worden doorverteld. Ook het godsbeeld is dus min of meer verzonnen. Dat bracht hem op het idee een eigen godsbeeld te creëren, een thema dat nauw aan zijn werk is verbonden. Eén van de muren van zijn huis is van onder tot boven behangen met planken vol boeken, tijdschriften maar ook spelletjes, puzzels en een schaakbord. Er zijn rijtjes reisboeken, kookboeken, computerboeken en kinderliteratuur met klassiekers als Dik Trom, Kruimeltje en de Gebroeders Grimm naast hedendaagse toppers van Roald Dahl. Zijn eigen jeugdboeken – Kaptein Corelli – wisselen af met filosofie van denkers als Wittgenstein en Heidegger. Een boek over die laatste filosoof was dermate hermetisch dat het lezen wel een jaar vergde. Daarna trok hij de conclusie dat hij er waarschijnlijk niet veel van had begrepen. Müller leest alles, óók de Varagids, de Donald Duck en Ludlum en Forsythe. Detectives leest hij graag in bed. Voor de meer studieuze uitgaven zet hij ´s morgens vroeg de wekker om ze echt te bestuderen. Soms koopt hij een boek dubbel. Dan laat hij zich door een vernieuwde omslag bedotten. Veel boeken leest hij meerdere malen. ‘De eerste keer doe je het te snel, dan lees je uit pure nieuwsgierigheid. Pas bij de tweede en derde herlezing, weet je echt hoe iemand schrijft.’ Op tafel bij de kast liggen Een schitterend ongeluk van Arthur Japin en Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Hij sloeg de positieve recensies ergens op zijn harde schijf op. Meestal zijn het vrienden en kennissen die hem op een spoor zetten. Soms raakt hij enthousiast door een gast in een televisieprogramma. Zelf raadt hij ook boeken aan. ‘Het huis van de moskee van Kader Abdolah over een Marokkaans dorp moet je echt lezen.’ Behalve boeken met eigen werk – veel Kröller-Müller – bevat zijn kast ‘een beetje’ Nederlandse kunst en architectuur. Veel exemplaren, waaronder dat van Jung, staan in zijn huis in Frankrijk. Hoewel hij het wel een beetje heeft gehad met architectuur is Architecture without architects een aantrekkelijk standaardwerk van niet-architecten. Zijn mooiste boek is een naslagwerk op het gebied van de architectuur. Met meer dan duizend gebouwen en 5.500 kleurenfoto’s is The Phaidon Atlas of Contemporary World Architecture te groot voor een normale boekenkast. Het formaat maakt hem onhandig, maar de inhoud inspireert. Wel in de kast past een boek over Henry Moore – waar Müller in 1968 in Italië les van kreeg – dat een plekje kreeg naast een geromantiseerde biografie over Michelangelo. Dat laatste boek bracht de kunstenaar op het idee zelf zo’n autobiografie te schrijven met aparte hoofdstukken over de ‘homoseksuele beeldhouwer’ en de ‘machtswellustige beeldhouwer’. Met zo’n verzonnen uitgave wil hij aantonen dat kunsthistorici de waarheid grotendeels verzinnen. En daarmee zijn we beland bij een ander thema van Müller: niet alleen de waarheid wordt gemaakt, maar elke tijd kent zijn eigen waarheid. [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
