Dierlijke bouwvakkers spelen rol in evolutie |
|
datum plaatsing |
13-jan-07 |
medium |
Gelderlander |
auteur |
Peter de Jaeger |
Gravende dieren zoals wormen vormen niet alleen het landschap, ze hebben ook invloed op de evolutie. Gravers bepalen namelijk welke dieren er in hun omgeving kunnen leven. Dat is aangetoond door onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Ecologie. Woelmuizen, zeekomkommers, wadpieren en regenwormen zijn echte grondwerkers. Ze woelen de grond om, ook van de oceaanbodem. Samen verzetten ze tonnen. Mollen spreken het meest tot de verbeelding. “Als die eenmaal in je achtertuin zitten dan zie je dat gelijk. Maar op mondiale schaal spelen mollen nauwelijks een rol. Mollen hebben lokaal groot effect, maar regenwormen hebben op wereldschaal veel meer effect, omdat ze talrijk zijn en overal zitten”, zegt Filip Meysman van het Nederlands Instituut voor Ecologie te Yerseke. De invloed van het omwoelen van de grond staat bekend als bioturbatie. “Dat onderzoek is een nieuwe insteek, waar wetenschappers tot voor kort de neus voor ophaalden”, zegt Meysman. “Pas de laatste tien jaar is er aandacht voor dit fenomeen, eigenlijk een kruisbestuiving tussen geologen en biologen.” De eerste biogeoloog was Charles Darwin. Die had jarenlang studie gedaan in zijn eigen achtertuin naar regenwormen. Zijn laatste boek is een lofzang op de regenworm. Hij bewees onder meer dat de regenworm zorgt voor goede bodemstructuur en vruchtbaarheid. “Voorheen werd de worm gezien als een plaag die zo snel mogelijk moest worden bestreden.” Ook toonde Darwin aan dat het graafwerk van wormen bodemerosie veroorzaakt en invloed heeft op de positie van stenen in de grond. “De geologische vindplaats dient gecorrigeerd te worden voor verzakking door de wormen om de exacte datering van de fossielen beter in te schatten”. “Gravende bodemdieren zijn ingenieurs van ecosystemen die hun omgeving naar hun eigen hand kunnen zetten. Hun graafactiviteit bepaalt hoe die omgeving eruit ziet en welke organismen er kunnen leven”. Daarom zijn de gravers cruciaal voor de biodiversiteit. Wanneer bijvoorbeeld door klimaatsverandering de dierlijke bouwvakkers wegvallen heeft dat verstrekkende gevolgen voor het ecosysteem. En dat effect beperkt zich niet tot het bodemleven. Door blootleggen of onderspitten van plantenzaden of planktoneitjes bepaalt bioturbatie de samenstelling van de begroeiing bovengronds en speelt een rol bij de bloei van plaagalgen. Het gravend grut heeft ook een onverwachte link met de evolutietheorie van Darwin. Het evolutionair belang van graven duikt 540 miljoen jaar terug op tijdens het Cambrium. Toen zijn op de oceaanbodem in korte tijd veel nieuwe diersoorten ontstaan. Ook alle ‘bouwplannen’ van de dieren zoals we die nu kennen zijn terug te vinden in de fossielen van die tijd. Tot die tijd waren er alleen maar eencelligen die algen filterden of graasden op de stabiele microbiële matten die de bodem bedekten. Maar toen de eerste meercellige roofdieren ontwikkelden ontstond een ware wapenwedloop. Hierbij verstopten prooien zich in de grond en roofdieren zetten de achtervolging in. Meysman: “De graafrevolutie leidde tot een wereld van verschil tussen het leven vòòr en na de omgewoelde bodem. Er ontstonden de meest bizarre levensvormen. Dat waren geen evolutionaire experimenten, zoals vaak aangenomen, maar tussenvormen die later vanzelf weer verdwenen. De bodembewoners van de oceaan moesten zich aanpassen aan deze nieuwe leefwereld. Bioturbatie is dus de drijvende kracht achter de snelle evolutie. Sindsdien verloopt de evolutie veel langzamer”. Die link tussen wormen en evolutie heeft Darwin zelf nooit gelegd. “Hij zou er van achterover tuimelen”, zegt Meysman. In een van zijn vele brieven schreef Darwin zelfs dat hij teveel tijd had gestopt in zijn studie naar regenwormen, die hij afdeed als een rare hobby. Meysman zelf doet studie naar bioturbatie in de oceaanbodem met behulp van de computer. We onderzoeken de effecten van bioturbatie op de koolstof- en stiktstofbalans en de huishouding van andere elementen. Vooral interessant is het verband tussen de koolstofkringloop en de mate waarin de bodem wordt omgewoeld. De oceaanbodem is namelijk een buffer waarin koolstof wordt opgeslagen, afkomstig van het neerdwarrelende broeikasgas koolstofdioxide. “Tot heden dacht men dat bacteriën zorgden voor dit omzettingsproces. Echter, er komen steeds meer bewijzen dat bioturbatie doorslaggevend is. De komende vijf jaar willen we dat effect op wereldschaal berekenen”.[ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
