Wandelen over een aardkundig monument |
|
datum plaatsing |
6-jan-07 |
medium |
Gelderlander |
auteur |
Peter de Jaeger |
Minder dan de helft van Nederland is helemaal vlak. De rest van het landschap bevat talloze rimpels. Dekzandruggen, stuwwallen, drumlins en pingoruïnes zorgen voor natuurlijk reliëf. Om die restanten uit de IJstijd te bewaren worden ze aangewezen als aardkundig monument. “Reliëf is dode natuur, maar vormt wel de basis van wat er op leeft en is daarom belangrijk om te behouden”, zegt Wim Hoogendoorn, geestelijk vader van de aardkundige monumenten in ons land. Als hoofd ecologie bij de provincie Utrecht zette hij in 1995 de zuidflank van de Grebbeberg bij Rhenen als eerste monument op de kaart. Hierna volgden De Lange en de Korte Duinen bij Soest, het Sneeuwsmeltwaterdal Plantage Willem III, de oude rivierbeddingen Oostbroek en de Niënhof, het eiland De Bol langs de Lek bij Lopik en de wielen in Eemland. Dit aanstekelijk voorbeeld (Hoogendoorn spreekt over een ‘exportartikel’) werd gevolgd door andere provincies, vooral Noord-Holland en Brabant zijn op dit moment actief. Inmiddels telt ons land dertig aardkundige monumenten. “Op die manier wordt een stukje landschap veilig gesteld, waarin je geologische kenmerken nog kunt zien. Dat is het doel. Maar je moet er geen openlucht museum van willen maken, want daarmee ben je er niet. Benoeming tot monument is tevens een middel om bij plannenmakers en bestuurders meer aandacht te krijgen voor de niet levende natuur, zodat ons aardkundig erfgoed ook beleidsmatig wordt beschermd”. Het is volgens Hoogendoorn hoog tijd deze bijzondere plekken te beschermen, want veertig procent van de overblijfselen uit de IJstijd is al verdwenen. “Iets uit de IJstijd kun je niet reconstrueren. Je kunt wel ergens een miljoen vrachtwagens heen sturen en leeg kiepen, maar dan blijft het een hoop zand. De bijhorende structuur in de ondergrond en het bodemprofiel is weg en krijg je nooit terug”. Maar volgens Hoogendoorn moeten we niet te flauw doen. We zitten nu eenmaal in een dichtbevolkt land en overal is er wel eens in de bodem gewroet. “Je moet de lat minder hoog leggen en accepteren dat hier en daar de bouwvoor is verstoord. Als er bijvoorbeeld is gegraven in de Utrechtse Heuvelrug, dan is daarmee nog niet de hele stuwwal waardeloos geworden. Er blijft nog genoeg over”. Het gros van alle aardkundige monumenten zijn gewoon vrij toegankelijk voor iedere passerende recreant. “Het zijn stuk voor stuk prachtige stukjes landschap waar je de ontstaansgeschiedenis van kunt aflezen”. Uitzondering is het Zwerfsteneneiland Maarn, een volledig kunstmatig aangelegd stuk natuur in de Zanderij. Hoogendoorn schreef hierover een boek. In de 19e eeuw lag er een keienveld met zwerfstenen die uit Scandinavië hier naar toe zijn gesleurd door schuierend ijs. Die groep stenen is in 1900 bedekt met een laag zand om te dienen als ondergrond voor een rangeerterrein. Een deel is herontdekt en de zwerfstenen zijn nu gesorteerd en bij elkaar gelegd. Om het eiland voor het publiek toegankelijk te maken zijn er excursies geregeld. Sinds 1999 zijn er al meer dan tweehonderd geweest. “Het is uitgegroeid tot een publiekstrekker eerste klas”, zegt Hoogendoorn, die van meet af aan was betrokken bij het ontwerp en de aanleg van het eiland. De aardmonumenten liggen veelal in natuurgebieden die worden beheerd door Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer of de provincie. Hun aankoopbeleid wordt normaliter bepaald door de ecologische waarde van een gebied, dus welke planten groeien er en welke dieren komen daar voor. “Ze moeten nog leren dat de niet levende natuur zorgt voor een gezonde basis van de levende natuur. Maar dat gaat steeds beter”, zegt Hoogendoorn. Een goed beheer is belangrijk. De maatregelen hangen af van de kwaliteit van het gebied. Zo zijn alle stuifzandgebieden in ons land te klein om zelfstandig te overleven. Daar moet je af en toe ingrijpen en groen weghalen, anders verandert het in een bos. “Bij rivierduinen en kreken, zoals de Bol bij de Lek, moet je de natuur juist zijn gang laten gaan en alleen zorgen dat de plas niet gaat verzanden en dichtslibt.” Een geluk is nog dat de minst aangetaste plekjes in Nederland zijn te vinden op de meest slechte gronden en daarom automatisch met rust zijn gelaten. Zo zijn de fraaie bossen in de Flevopolders aangelegd op keileemgronden. “Niks geen idealisme van natuurbouwers. Die grond is gewoon onbruikbaar voor de landbouw”. Elders in ons land zijn de resterende arme marginale gronden het minst verstoord en daarom kunnen uitgroeien tot de meest waardevolle natuurgebieden. Ook voor de dode natuur. Zwerfsteneiland Maarn-en andere aardkundige monumenten door Wim Hoogendoorn is een uitgave van KNNV te Utrecht. Prijs € 14,95. ISBN 9050112358.[ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
