Evolutie maakt dubbelgangers |
|
datum plaatsing |
|
medium |
Gelderlander |
auteur |
Peter de Jaeger |
In de natuur komen veel soorten voor die hetzelfde doen. Wageningse ecologen hebben hier een verklaring voor. Planten en dieren hebben er baat bij op hun concurrent te lijken, aldus hun theorie. Net als in de economie leidt concurrentie tot meer van hetzelfde. Maar niet iedereen is het daar mee eens. Het klassieke beeld in de biologie is dat zoveel verschillende planten en dieren naast elkaar kunnen bestaan, doordat iedere soort een eigen plekje of niche in de natuur heeft. Zo zijn er vogels die elk verschillende groottes van zaden eten. Maar hoe verklaar je dan dat er honderden boomsoorten op een kluitje staan in een tropisch regenwoud, of de enorme aantallen verschillende typen algen in de oceanen. De verschillende soorten lijken goeddeels dezelfde niche te bezetten. In Nederland heb je de tjiftjaf en de fitis. Die zangvogels gedragen zich hetzelfde en eten hetzelfde. Hoe valt dat te rijmen met de bestaande opvatting? Enkele jaren terug kwam de Amerikaan Stephen Hubbell met zijn theorie dat soorten naast elkaar kunnen voortbestaan doordat zij ecologisch precies hetzelfde zijn. “Die theorie deed veel stof opwaaien, omdat soorten natuurlijk nooit helemaal exact hetzelfde doen. Dat is niet reëel”, zegt Marten Scheffer van de leerstoelgroep Aquatische ecologie. Samen met zijn collega Egbert van Nes ontdekte hij dat soorten zich niet regelmatig over de nicheruimte verdelen, zoals verwacht. In plaats daarvan groeperen ze zich tot clusters van ‘dubbelgangers’ die onderling gescheiden worden door een stukje niche waar geen soorten zitten. De ecologen vonden dat patroon met een wiskundig model van concurrerende soorten. Het effect van evolutie is verwerkt door soorten de kans te geven na generaties iets te veranderen. Na duizenden generaties blijken sommige soorten naar elkaar toe te kruipen en andere van elkaar af. “Er blijken dus twee manieren om te overleven”, zegt Scheffer. “Door voldoende van elkaar te verschillen of juist genoeg op elkaar te lijken. Meest verrassende uitkomst van onze computerexperimenten is dat je soms minder concurrentie ondervindt naarmate je meer op je concurrent lijkt.” Het clusterpatroon van vergelijkbare soorten wordt in de natuur onder meer gezien bij plankton, prairievogels, muizen en watervlooien en –kevers. Zo blijkt een verzameling van 108 waterkevers in slechts drie clusters van lichaamsgrootte uiteen te vallen. “Je zou verwachten dat alle lichaamsgroottes ongeveer even vaak voor zouden komen, maar dat is dus niet zo”. Scheffer vergelijkt competitie in de natuur met de marktwerking in de economie. Ook hier leidt concurrentie vaak tot meer van hetzelfde. “Kijk maar naar de auto industrie. Ieder automerk brengt dezelfde onderscheidende klassen uit: een compact car, een stationmodel en een SUV. Datzelfde zie je bij televisiezenders en politieke partijen. Elk heeft zijn bestaansrecht veroverd in dezelfde nichemarkt”. De nieuwe theorie is volgens de bedenkers een samensmelting van de schijnbaar tegenstrijdige opvattingen over evolutie en biodiversiteit. Aan de ene kant het idee dat onderling verschil tussen soorten nodig is om naast elkaar te overleven, en aan de andere kant de opvatting dat soorten met dezelfde leefwijze elkaar niet in de weg zitten. Toch wordt deze mengtheorie door de wetenschappelijke goegemeente nog niet voor waar aangenomen. Het tijdschrift Nature durfde publicatie niet aan, omdat de nieuwe visie te controversieel zou zijn. Het artikel staat nu in het Amerikaanse tijdschrift Proceedings of the National Academy of Science (27 maart). Ook in Nederland zijn er bedenkingen. Louise Vet, directeur van het Nederlands Instituut voor Ecologie, bekritiseert de lichaamsgrootte als enig gebruikte criterium voor niche. “Dat is te beperkt. Soorten hebben allerlei interacties met andere organismen. Even hoge en dikke bomen kunnen wellicht naast elkaar leven in een tropisch bos, juist dankzij de enorme variatie aan interacties met hun omgeving. Een gevonden ruimtelijk patroon is nog geen biologisch mechanisme”. Han Olff, hoogleraar Plantenecologie in Groningen, heeft eveneens moeite met het begrip niche van de onderzoekers. “Zij stellen dat gelijk aan lichaamsgrootte, terwijl een niche vooral wordt bepaald door omgevingskenmerken. Daarom bestaat het gevaar dat we hier te maken hebben met een kunstmatig resultaat dat louter voortvloeit uit de opzet van het onderzoek”.[ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
