Koolmees is vliegend proefdier |
|
datum plaatsing |
jun-06 |
medium |
EOS |
auteur |
Peter de Jaeger |
Koolmees is een vliegende rat. De koolmees is een dankbaar modeldier voor biologen. De zangvogel komt in Eurazië in ruime mate voor, broedt in nestkasten, is daarom makkelijk te vangen en te ringen. Al ruim vijftig jaar wordt de burgerlijke stand van mezen nauwgezet bijgehouden in Nederland en België. Dat levert interessante resultaten op over veroudering, zure regen en klimaatverandering. Al in 1912 is de koolmees gekozen als ecologische modelsoort door G.Wolda van de Plantenziektekundige Dienst te Wageningen. Hij ging in het nabijgelegen Oranje Nassau’s Oord onderzoek doen naar de rol van vogels bij het voorkomen van rupsenplagen in bossen, zoals kaalslag door wintervlinder en de eikenbladroller. In 1955 startte H. Kluyver het lange termijn onderzoek op het NIOO (Nederlands Instituut voor Ecologie) op de Hoge Veluwe, Vlieland en in het Liesbos bij Breda. Een jaar later in Oosterhout bij Nijmegen. De bossen werden gekozen om hun ligging (geïsoleerd of juist deel uitmakend van een groter geheel) en bostype (gemengd naaldhout versus rijk loofbos). De Universiteit van Antwerpen doet hetzelfde sinds 1964 in de Hutsepot bij Gent, het Peerdsbos bij Brasschaat onder Antwerpen (vanaf 1979) en een kleiner bos bij Lier. De onderzoekers kijken naar de legselgrootte, welk vogeltje waar wordt geboren, hoe zwaar die is bij het uitvliegen en wie de ouders, broers en zussen zijn. Op die manier zijn in de lage landen inmiddels pakweg twintigduizend nesten bekeken en ruim driehonderdduizend koolmezen in de hand gehouden. Jaarlijks worden er in Nederland alleen al tienduizend jongen geringd. “Alle gegevens bij elkaar levert een schat aan informatie”, zegt Marcel Visser, verbonden aan het NIOO te Heteren. Zonder de jarenlange meetreeksen was het bijvoorbeeld onmogelijk geweest aan te tonen dat de oogst beukennoten in het najaar de aantalontwikkelingen sterk beïnvloedt. “Koolmezen overleven de winter vooral als er veel beukennoten zijn om van te eten.” Ook is nu bekend dat het gewicht van een jonge koolmees tussen de momenten van uit het ei kruipen tot uitvliegen toeneemt van anderhalf tot twintig gram. Het leggen van eieren is een topprestatie, energetisch vergelijkbaar met het rijden van een etappe van de Tour de France. Na al die jaren onderzoek staat nu vast dat viervijfde van de jongen en de helft van de ouders de eerste winter niet overleeft. Gemiddeld wordt een koolmees slechts een paar maanden oud. Echter, in uitzonderlijke gevallen kan de vogel wel acht jaar worden. Het grote voordeel van lange termijn onderzoek is dat niemand meer op grond van bepaalde verschijnselen ongestraft kan beweren: ach, dat was vroeger ook al zo. Zoals bijvoorbeeld bij het effect van overmatig gebruik van DDT (insecticide) op de leefnatuur in de jaren vijftig en zestig. De negatieve gevolgen van dit landbouwgif konden dankzij de koolmeesstudie worden hard gemaakt. “Zo hebben we in de jaren tachtig het effect van zure regen, veroorzaakt door uitstoot van ammoniak door onder meer de intensieve veehouderij, aangetoond op de vogelstand. De zure regen zorgde voor kalkonttrekking en dat leidde tot flinterdunne eierschalen waardoor vele broedsels mislukten”. Ook het effect van klimaatverandering komt aan het licht door het langlopende vogelonderzoek. De steeds warmere lentes maken dat de jonge koolmezen de rupsenpiek met de vetste rupsen steeds vaker mislopen. Dat levert problemen. Visser is 21 maart, begin van de lente, benoemd tot bijzonder hoogleraar seizoenstiming van diergedrag aan de universiteit van Groningen. De gestelde onderzoeksvragen hangen nauw samen met de tijdgeest waarin we leven, weet Visser. Zo is er nu veel interesse voor veroudering. “Genetisch werken we daaraan, samen met Simon Verhulst uit Groningen, onder meer via bepaling van telomeerlengtes in koolmezen. In het veld zie je dat oudere mannetjes het slechter doen. Christiaan Both van het NIOO heeft ooit een mannetje van acht jaar beschreven, dat is stokoud voor een koolmees. Zijn territorium werd met het jaar zichtbaar kleiner, uiteindelijk was hij teruggedrongen tot een hoekje aan de rand van het bos. De senior bracht ook elk jaar minder jongen voort. We willen graag weten hoe dat genetisch in elkaar steekt”. Visser vertelt dat de genetica steeds belangrijker wordt. “Er is al veel erfelijk materiaal van de koolmees in kaart gebracht. Zo kunnen we nu genetische markers aanwijzen die gekoppeld zijn aan een bepaald gedrag”. Ook wordt een model uit de veeteelt gebruikt, dat de melkgift van nakomelingen voorspelt aan de hand van overerving, om de omvang van legsels van koolmezen vooraf te bepalen. Er zijn globaal vier onderzoekslijnen uitgezet: persoonlijkheid (agressief en kat uit de boom kijken), adaptatie aan de omgeving (legselgrootte afgestemd op dichtheid populatie), bedelgedrag van jongen (competitie op het nest) en seizoenstiming (invloed van daglengte en temperatuur op begin broeden). Behalve de vele nestkasten in het veld, zijn er tientallen volières binnen. Visser: “Daar doet men experimenten om hypotheses uit het veld te toetsen, zoals gericht gedragsonderzoek. Bijvoorbeeld testen of een koolmees verlegen is of een macho. Dat doen we door ze te confronteren met een boom in de volière met een roze panter erin. Blijven ze ernaar turen of gaan ze er meteen nieuwsgierig op af”. Als het aan Visser ligt gaat het mezenonderzoek nog minstens vijftig jaar verder. “Tijdseries worden namelijk steeds waardevoller naarmate ze langer duren. Aan welke vragen we over tien jaar werken weten we nu nog niet. Maar dat de lange termijn studie daar een belangrijke rol bij zal spelen, staat als een paal boven water”. Mees helpt tuinder De fruitteler heeft de koolmees ontdekt. In appelgaarden kan de schade van rupsenvraat met een kwart worden verminderd door nestkasten op te hangen. Zo blijkt uit een promotiestudie van Christel Mols van het NIOO. Per hectare twee nestkasten is genoeg om de plaag de kop in te drukken. Een koolmeespaartje heeft in het voorjaar 9000 rupsen nodig om zijn kroost te voeden. Dat voedsel zoeken ze het liefst vlakbij de nestkast. Enkele tientallen fruittelers hebben inmiddels het vertrouwen in deze insecteneters in de praktijk gebracht. Ook bij kleinfruit, zoals rode bessen en frambozen, worden sinds kort vogels ingezet. Uit proeven van het Instituut voor Praktijkonderzoek voor Plant en Omgeving (PPO) in Randwijk blijkt dat thimalia’s, een kleine tropische vogel uit Thailand, zeer goed werken. Ze teren het hele jaar op bladrollers en hoeven niet te worden bijgevoerd. Ook tuinderkassen lijken steeds meer op volières. Al sinds 1998 wordt studie gedaan naar het nut van vogels in kassen door het PPO in Naaldwijk. Inheemse soorten zijn hierbij verboden,. Daarom wordt uitgeweken naar tropische vogels. Grondkruipers als Californische kwartels en thimalia zijn zeer effectief. De schuwe kaneelmezen en grijswangen voelen zich thuis in hoog groeiende gewassen als aubergines, komkommers en tomaten. Binnen de sierteelt hebben kwekers van rozen en gerbera’s interesse. Ook kwekers van klimop, druiven en blauwe regen hebben hier wel oren naar. Probleem is echter dat de vraag hoger is dan het aanbod. De import van fladderaars uit het wild staat evenwel ter discussie. Daarom wordt nu, met wisselend succes, geprobeerd de vogels te laten broeden in gevangenschap. Vogeltaal Vogelzang is een mannenzaak. Mezen zingen om hun territorium af te bakenen en om indruk te maken op de vrouwtjes. Geen goede zang betekent geen seks en dus geen nakomelingen. Gedragsbioloog Hans Slabbenkoorn uit Leiden ontdekte dat koolmezen in de stad hoger fluiten dan op het platteland. De koolmees zingt een paar tonen hoger en laat lage tonen weg als het lawaai van de omringende snelwegen zijn lied dreigt te overstemmen. Dat is geen genetisch selectieproces, aldus de bioloog, omdat mezen pas zingen leren als ze zijn uitgevlogen. De jonge mannen leren de hoge tonenliedjes van hun buurman in het aangrenzend territorium. De manier waarop vogels zangleren kan trouwens ook iets zeggen over spraak- en taalontwikkeling bij mensen. Daar wordt studie naar gedaan. Zelfs kan de ontwikkeling van een dialect of een nieuwe taal worden bestudeerd aan de hand van vogels die van elkaar gescheiden leven. Zo is het Nederlands en Duits ooit ontstaan uit hetzelfde Germaans. Aan de universiteit van Washington in Seattle ontdekte men vorig jaar dat de matkop, een meesje met een zwart kapje op zijn kop, soortgenoten waarschuwt met verschillende alarmroepen. Niet alleen het type bedreiging geeft hij door, ook het soort roofdier dat hij ziet. Bij een experiment bleek de alarmroep voor een kat, een fret, een oehoe en een dwerguil anders. Vrouwen vallen voor blauwe petten Opzichtig felgekleurde, mannelijke pimpelmezen verwekken meer zonen dan hun fletsere soortgenoten. Voorwaarde is wel dat de vrouwtjes hun opvallende kleuren kunnen zien. Zweedse ornithologen uit Uppsala ontdekten dat vooral de kleur blauw van vaders verenkleed het aantal zonen bepaalt. Voor ons lijken alle pimpelmezen op elkaar en zijn zelfs de mannetjes nauwelijks te onderscheiden van de vrouwtjes. Maar vogels kunnen, anders dan mensen, ultraviolet zien. Mannelijke pimpelmezen hebben meer ultraviolette kleur dan vogels van het andere geslacht. Ultraviolette weerkaatsing is blijkbaar een goed criterium bij de partnerkeuze, omdat blauwere vogels een grotere kans maken de winter te overleven. Waarom is overigens onduidelijk. De verhouding mannetjes-vrouwtjes in het broedsel wordt mede bepaald door de voorkeurkeuze van het vrouwtje. De felgekleurde mannetjes worden altijd vader van een nest met voornamelijk mannelijke jongen. Toen de onderzoekers de kleuren van de mannetjes maskeerden verdween het effect op de broedsamenstelling. Zo bleek uit een experiment in Groningen en bij het NIOO, waar het hoofddeksel van de pimpelmannen werd ingesmeerd met zonnecreme dat het ultraviolet licht tegen houdt. Uit verwante studies blijkt dat mezen veel vreemd gaan. Het initiatief hiertoe gaat altijd uit van het vrouwtje. Ze vinden het mannetje van een naburig territorium aantrekkelijk, waarom is niet altijd duidelijk, en maken een uitstapje om ermee te paren. Ze doen alles voor een sterk nageslacht. Bij tien procent van de jonge koolmezen stroomt ander bloed door de aderen dan bij zijn zusjes of broertjes uit hetzelfde nest. Buitenechtelijke kinderen dus. Bedeesde of gevreesde mees Het karakter van een koolmees wordt voor 54 procent bepaald door erfelijkheid. Dat concludeert Piet Drent van het NIOO na kruisingen van vier generaties koolmezen met extreem agressieve dan wel verlegen persoonlijkheid. Opvallend is dat beide uitersten in temperament vredig naast elkaar kunnen blijven bestaan in hetzelfde gebied. Immers, als gedrag inderdaad zo erfelijk is bepaald dan zou je toch verwachten dat de evolutie en selectie leiden tot één soort type koolmees. Dat is dus niet zo. Uit veldonderzoek blijkt nergens dat de ene gedragsvariant altijd beter voor de overleving is dan de andere. De onderzoekers proberen nu te achterhalen hoe de soort als geheel is gebaat bij verscheidenheid aan persoonlijkheden. Het kan zijn dat een groep koolmezen beter floreert als er ook een paar agressievelingen tussen zitten die indringers verjagen. De introverte mezen krijgen weliswaar de minder goede territoria, maar zijn goed in het vinden van voedsel en kunnen makkelijk omschakelen, terwijl de extraverte mezen slordige zoekers zijn, die zich op slechts één voedselbron storten. [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
