Kansen voor zoute landbouw |
|
datum plaatsing |
feb-07 |
medium |
EOS |
auteur |
Peter de Jaeger |
Door het schaarser worden van zoet water en het verzilten van de bodem gloren er kansen voor zoute landbouw. Niet alleen in de droge tropen, maar ook in gematigde streken zoals bij ons. In het Zeeuwse Colijnsplaat wordt volgend jaar de spade in de grond gezet voor het eerste voorbeeldbedrijf voor zoute landbouw. Daar worden op praktijkschaal tong, zagers en schelpdieren gekweekt in combinatie met zoutminnende planten als zeekraal, lamsoor, zeebiet en zeevenkel. Het ministerie van landbouw is optimistisch over deze nieuwe vorm van boeren en stopt vijf miljoen euro in dit project. Experts hebben berekend dat er plaats is voor ruim 150 van deze gemengde bedrijven. Over tien tot twintig jaar is zo’n 125 000 hectare landbouwgrond in Nederland licht tot ernstig verzilt en niet meer geschikt voor gangbare landbouw met tarwe en aardappelen. Voor België schommelt dat naar schatting rond de 50 000 hectare. “Verzilting van de grond is geen bedreiging, maar biedt juist nieuwe kansen voor de noodlijdende landbouw”, meent Willem Brandenburg, onderzoeker bij het Plant Research International te Wageningen. Brandenburg was projectleider van ‘zout voor zoet’, dat net is afgerond. Vier jaar lang hebben twintig Wageningse wetenschappers, elk vanuit hun eigen discipline, hun licht laten schijnen over zoutwaterlandbouw. Nu worden de resultaten omgezet in initiatieven voor de praktijk, zoals het voorbeeldbedrijf in Colijnsplaat. Het experimenteel bedrijf beslaat vijftig hectare en omvat visvijvers en akkers die zullen worden bevloeid met brak water. In de binnendijkse vijvers zullen Zeeuwse tong en zagers worden gekweekt. De zagers dienen deels als voer voor de tong. De vissen leveren meststoffen die worden benut voor de zilte teelten, die worden verbouwd op brakke bevloeiingsakkers in de buurt van de bekkens. Alleen al de kweek van tong is lucratief. Honderd kilo tong levert evenveel op als 10 000 kilo tarwe. Andere mogelijke combinatie is die van schelpdieren als mossels of oesters met zilte gewassen. Mogelijk kunnen ook algen worden gekweekt die deels dienen als veevoer. Algen bevatten ook dure grondstoffen voor de farmaceutische en cosmetische industrie. Verder kunnen ook dieren worden gehouden op het zilte boerenbedrijf. Sommige oude landrassen van koeien, schapen en varkens zijn niet vies van zout gras. De genenbank kan helpen zoeken naar landbouwhuisdieren die het goed doen in een zoute omgeving. Brandenburg: “In elk geval is het geheel aan activiteiten duurzaam, zowel economisch als milieukundig. Bovendien levert het een aantrekkelijk landschap op, waar de recreant te voet of per fiets van kan genieten. Het is geen museum landschap, zoals het Groene Hart, maar een volstrekt nieuw type boerenlandschap”. Volgens Brandenburg kunnen we veel leren van de geschiedenis. Terpenboeren in Friesland en Zeeland (op en rond de vliedbergen) kweekten drieduizend jaar terug al zouttolerante graangewassen als spelt en emmer op gronden die regelmatig blank stonden met zeewater. Spelt gooit hoge ogen. De bakker kan de graankorrels gebruiken voor het in opmars zijnde speltbrood. Er is een groeiende belangstelling voor deze broodsoort, omdat spelt 39 allergenen mist die wel in tarwebrood zitten. De lange halmen leveren biomassa die het boerenbedrijf kan gebruiken voor opwekking van groene energie, via verbranding of productie van biogas. Asperges en venkel zijn andere bestaande gewassen die van nature al enigszins tegen zout kunnen, en oorspronkelijk werden geteeld achter de zandduinen. Gerst en bieten, vooral voederbieten, kunnen van huis uit eveneens tegen zout. De zouttolerantie van de verwante suikerbiet kan door veredeling verder worden opgeschroefd. Een grote stap voorwaarts op dit gebied is het onderzoek van plantenveredelaar Eduardo Blumwald van de universiteit van Califiornie in Davis. Een paar jaar terug liet hij collega’s, die via arbeidsintensieve kruisingen zouttolerante gewassen probeerden te verkrijgen, versteld staan. Blumwald lukte het namelijk om zouttolerantie te realiseren door slechts één gen in de plant te veranderen. Het gaat om het eiwit AtNHX1. Overexpressie van dit pompeiwit zorgt dat het schadelijke natrium (onderdeel van zout of natriumchloride) buiten de deur blijft. Blumwald deed dat met succes bij het modelgewas zandraket of Arabidopsis. Maar het lukte hem ook al bij tomaat en koolzaad. Het is overigens niet erg waarschijnlijk dat transgene gewassen straks de brakke akkers veroveren. De maatschappelijke weerstand is te groot. Er wordt vooral ingezet op gewassen die van nature zout kunnen verdragen. Deze planten staan in de biologie bekend als halofyten. Bij halofyten wordt onderscheid gemaakt tussen planten met een hoge zouttolerantie, die water met zoutgehaltes als in zeewater kunnen verdragen. Dat zijn bijvoorbeeld zeekraal (Salicornia spp), slijkgras (Spartina spp)en schorrenkruid (Suaeda maritima), planten die groeien op buitendijkse kwelders of schorren. Gemiddeld zouttolerante planten die in brak water kunnen leven, zijn onder meer zeeaster (Aster tripolium), ook wel lamsoor of zulte genoemd, zeebiet (Beta maritima) en zeekool (Crambe maritima). Matig zouttolerante planten overleven in licht brak water, dat net ongeschikt is voor conventionele akkerbouw. Voorbeeld hiervan is de voederbiet (Beta vulgaris). In een rapport van de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (Bioproductie en ecosysteemontwikkeling in zoute condities) staan mogelijke producttoepassingen. In Nederland en België zijn halofyten als zeekraal en zeeaster vooral bekend voor gebruik in salades. De Zeeuwen kennen de zeeaster al lang. Bij hen staat de zeegroente bekend als lamsoor of zulte. Gelaarsde liefhebbers trekken in april en mei de schorren op en plukken de jonge blaadjes van deze plant die zij ook gekookt op tafel zetten. Gekookt heeft zeeaster wel iets weg van spinazie, waarmee de groente tevens het hoge ijzergehalte gemeen heeft. Dankzij de typisch zilte smaak past zeeaster prima bij een portie mosselen of oesters. Daarnaast zijn er voorbeelden van halofyten als veevoer. Voor begrazing door koeien en paarden zijn vooral Meldesoorten geschikt, maar ook het matig zouttolerante Kallar gras. Naast voedselproductie kunnen halofyten worden gebruikt als biomassa of bulkproductie van hout of vezels. Hiervoor komen snelle groeiers als zeekraal in aanmerking. Zeekraal als vezelproducent levert 2 tot 3 ton droge stof per hectare, terwijl zeeaster een goede biomassa oplevert met 5 tot 8 ton droge stof. Maar grootschalige productie ligt niet voor de hand vanwege de beperkte ruimte in de lage landen. De beste mogelijkheden moeten daarom, aldus het NRLO-rapport, worden gezocht in specialiteiten, zoals nieuwe luxe groenten, toepassingen in de cosmetica en andere groene grondstoffen. Producten met een hoge toegevoegde waarde, waar de consument grif voor wil betalen. Naast de inmiddels bekende zeeaster en zeekraal gaat het om schorrekruid, meldesoorten en zeebieten. Ze groeien snel, zijn eetbaar en bevatten verschillende interessante inhoudsstoffen. Zo zijn de zaden van een zeekraalsoort (Salicornia bigelovii) rijk aan olie en eiwitten. De eetbare olie, die veel lijkt op olijfolie, bevat meervoudige onverzadigde vetzuren en proeft een beetje naar noten. De meest voor de hand liggende plek om zeegroenten te verbouwen is natuurlijk de kustzone, strekkend vanaf de Panne tot aan de Waddenkust. Dat kan in combinatie met natuurontwikkeling (In Groningen wordt brakwater natuur gemaakt en Zeeland kent het plan Tureluur). Verder is zoutwaterlandbouw een aantrekkelijk alternatief in diepe polders met een sterke zoute of brakke kwel. In België denkt men aan het gebruik van polders langs de Schelde, tussen Gent en Antwerpen. Dit schept ruimte voor waterberging, en biedt kansen voor zilte teelten. In de jaren negentig is een groot internationaal teelttechnisch onderzoek gedaan naar zeeaster en zeekraal in een Zeeuws proefveld bij Haamstede. Hier waren onder meer bij betrokken de Universiteit Gent, Vrije Universiteit Brussel en het Nederlands Instituut voor Ecologisch Onderzoek (NIOO) te Yerseke. De gewasbescherming en de bemesting waren onderdeel van deze studie. Zeeaster kent een flink aantal plagen, waaronder een erg schadelijke bladmineerder en een stengelboorder. De bladmineerder geeft echter pas last als er overvloedig wordt geiirrigeerd. De teelt is zodanig aangepast dat al geoogst kan worden voordat de ziekte de kop opsteekt. Zeekraal kent minder problemen. Beide gewassen ondervinden hinder van zoutonkruiden, waaronder schijnspurrie. Ook is er mogelijk hinder van een schimmel (Botrytis), die de stengelbasis aanvreet, waardoor de plant uiteindelijk omklapt. Brusselse parasitologen hebben een aaltje gevonden dat afrekent met deze schimmel. Maar ook die kruihgt geen kans, bij matige en niet te lange bevloeiing. Om totaal geen pesticiden te gebruiken, zijn de velden gewied met de hand. Bij zeeaster is geëxperimenteerd met mengmeststoffen en bij zeekraal met een biologisch mengsel van bloedpoeder en rotsfosfaat. Hoe meer teelten, hoe meer men aan rotatie kan denken om ziekten te voorkomen. De productie lag bij zeeaster en zeekraal op 23 tot 30 ton vers gewicht per hectare. Zeekraal is eenjarig, terwijl zeeaster twaalf tot vijftien jaar productief blijft. De teelt van zeeaster en zeekraal zijn opgewerkt tot een volwaardige teelt die zelfs mechanisch kan worden geoogst. Het project is in 1996 gestopt, doordat de EU - de belangrijkste financier- de geldkraan dicht draaide. Enkele Belgische en Portugese partners gingen op eigen houtje door. De proefvelden en de installaties kwamen terecht bij –wat nu heet- het Belgische bedrijf Intellicrops bvba uit Ninove, geleid door onderzoeker Joost Bogemans die ook aan dit EU programma meewerkte. Deze onderzoeker-ondernemer gebruikte tot voor kort het proefveld in Zeeland voor selectie en veredeling. Zijn bedrijf levert, samen met een Hongaarse collega, onder meer zaden voor zeekraal, zeeaster, zeebiet en zeemosterd, die zijn gekweekt in kassen. Verse zeegroenten verkoopt hij alleen ‘om den brode’, zoals hij zelf zegt. “Belangrijkste is de productie van zaden en het aanbieden van kennis in het opstarten van zoute cultures. Zo heb ik reeds cultures helpen opzetten in Israël en Denemarken. In 2007 begint een biologische teelt van lamsoor in Israël”. De gewassen zijn niet allemaal als groente te zien, meent Bogemans. Sommige nieuwe gewassen worden uitsluitend geteeld voor de waardevolle inhoudsstoffen. Zo zitten er veel saponinen in zeeaster, verbindingen die celdelingen remmen en tbc bestrijden. Zeekool (Crambe maritima) is, net als de meeste kruisbloemigen, rijk aan glucosinaten (tegen darmkanker) en zeevenkel (Chritmum maritimum) bevat falcarinol (tegen veroudering). “De exacte farmacologische of cosmetische toepassing van al deze stoffen blijven schimmig. De afnemers laten het achterste van hun tong niet zien”, zegt Bogemans. Hij voorziet trouwens ook een aantrekkende markt voor bioremediatie (natuurlijk herstel) van vervuilde bodems met behulp van zoute gewassen. Derde Wereld Landbouw is een slokop van zoet water. Die schaarsheid wordt vooral gevoeld in arme landen. Slechts 0,9 procent van al het water op aarde is zoet. Daar bovenop is verzilting een megaprobleem in de Derde Wereld. In aride (droge) of semi-aride gebieden wordt veel geïrrigeerd. Maar irrigatie zonder drainage (waterafvoer) leidt tot onmetelijke zoutvlaktes waar niets meer op wil groeien. Het zout is uit de diepere bodemlagen met het steeds stijgende grondwater mee naar boven gekomen. Er zijn miljoenen hectaren wit uitgeslagen landbouwgronden die nauwelijks of niets meer opbrengen. Verzilte gronden zijn vooral te vinden in Noord-Afrika, het Midden Oosten, de Indusvallei, midden China en in de zuidoostelijke Russische republieken Oezbekistan en Kazachstan. Wereldwijd gaat het om 90 miljoen hectare en dat areaal stijgt jaarlijks met 2 tot 4 miljoen hectare. Dat verlies staat haaks op de behoefte aan juist meer landbouwgrond om de groeiende wereldbevolking eten te geven. Volgens de Wereldvoedselorganisatie (FAO) is in tropische landen binnen dertig jaar 200 miljoen hectare nieuw ontgonnen grond vereist om de extra monden te voeden. Maar slechts 93 miljoen hectare is geschikt voor landbouw, waarvan het merendeel nu nog is bebost met waardevolle natuur. Daarom is zoute landbouw een uitkomst. Naar schatting is vijftien procent van onontgonnen kustgebied hiervoor geschikt, dat zijn vooral kustwoestijnen en deltagebieden. Dat komt neer op 130 miljoen hectare die kan worden veranderd in productieve zoute landbouwgrond. Zeewater is er genoeg. Liefst 97 procent van al het water op aarde zit in de oceanen. Maar wat moet er daar worden verbouwd, is natuurlijk de hamvraag. Onderzoekers van de universiteit van Tucson, Arizona hebben honderden halofyten verzameld en jarenlang onderzocht op hun voedingswaarde. Samen met collega’s van de Ben Gurion universiteit in Israël kwamen ze na jarenlang experimenteren in de woestijn tot twaalf beste kandidaten. De planten in de woestijn Puerto penasco, aan de westkust van Mexico, werden dagelijks geïrrigeerd met zout water uit de Golf van Californië. De regenval is daar minimaal, zodat de plant vrijwel uitsluitend groeide op het toegediende zeewater. De opbrengsten varieerden sterk. De meest productieve soorten brachten een tot twee kilo droge biomassa op per vierkante meter, vergelijkbaar met de oogst van een sojaveld dat louter afhangt van zoet water. Eerst is gekeken of halofyten gebruikt kunnen worden als veevoer. Volgens de FAO is namelijk het vinden van genoeg veevoer voor koeien, schapen en geiten een van de grootste landbouwproblemen in droge streken, waarvan de helft al is geërodeerd door overbegrazing. De meeste halofyten bevatten veel eiwitten en verteerbare koolhydraten. Jammer genoeg, zit er ook veel zout in, waardoor de voedingswaarde mindert en een dier er minder van op kan. De meest rendabele halofyten waren zeekraal, melde en zoutgrassen als Distichlis en Batis. Primaire voedselgewassen (staple crops) als rijst, andere granen en aardappelen zijn lastiger te kweken onder zilte omstandigheden. Pogingen om via klassieke veredeling (kruisingen) zouttolerantie op te vijzelen zijn teleurstellend. Daarom zal men het vooral moeten zoeken in groenten. Er wordt in ontwikkelingslanden ook geëxperimenteerd met combinaties van halofyten met garnalenteelt, zoals langs de kust in Zuidoostazie. Grootschalige garnalenkwekerijen veroorzaken daar nogal eens algenbloei en ziekten in rivieren of baaien waar hun voedselrijke afvalwater naar toe stroomt. Door dit water om te leiden langs velden met halofyten kunnen de voedingsstoffen opnieuw worden gebruikt. Hierdoor kan het gebruikte water weer schoon de zee instromen.[ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
