Vogels zijn ideale insecticiden |
|
datum plaatsing |
jun-07 |
medium |
EOS |
auteur |
Peter de Jaeger |
Fruitteler krijgt hulp van vogels. Je ziet steeds nestkasten in boomgaarden en langs randen van akkers en weilanden. Er mag steeds minder worden gespoten, dus worden koolmezen, torenvalken, uilen en zelfs kippen ingeschakeld om plagen te bestrijden. En met succes. “Ik heb nauwelijks last van de vroege fruitmot en appelbladroller. Koolmezen vreten de rupsen hiervan op”. Dat zegt Harmen Peters, teler van appels en peren in Lobith. Hij heeft vijftig nestkasten in zijn boomgaard van dertien hectare groot. Verder timmerde hij broedvoorzieningen voor torenvalken en steenuilen op zijn bedrijf. “Die jagen vooral op muizen en zorgen dat spreeuwen, die in het najaar fruit aanpikken, uit de buurt blijven. De nestkasten worden ook door buizerds gebruikt”. “Het is duidelijk dat er dankzij de inzet van vogels als natuurlijke vijand minder insecticiden en ander landbouwgif gespoten wordt. Maar het effect op de productie is lastig te kwantificeren, omdat er zoveel andere factoren een rol spelen. Denk alleen maar aan het weer”, zegt Henk Kloen van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM). De meest harde cijfers zijn verzameld voor de koolmezen. Deze insecteneters kunnen in appelgaarden de schade van rupsenvraat met een kwart minderen. Dat ontdekte Christel Mols in haar promotie onderzoek bij het Nederlands Instituut voor Ecologisch Onderzoek (NIOO) te Heteren. De onderzoekster volgde dertig appeltelers, van de Betuwe tot de Noordoostpolder, een aantal jaren op de voet. Rupsen zijn in het voorjaar een hoofdplaag in de bongerd, ze vreten aan de fruitbomen, waardoor een deel van de vruchten zich niet optimaal kan ontwikkelen. Ze vond dat koolmezen met jongen twintig tot honderd rupsen per uur naar hun kroost brengen. Een paartje heeft circa 9000 voedseldieren nodig om één nest groot te brengen. De ouders zoeken die rupsen het liefst zo dicht mogelijk bij de nestkasten. De makkelijk vindbare zijn het eerst de klos. “Twee kasten per hectare zijn al genoeg om de plaag de kop in te drukken”, aldus Mols. De economische rupsenschade halveerde zowat. “Het gaat niet alleen om zoveel mogelijk actieve koolmezen, maar ook om het tijdstip van broeden”, zegt promotor Marcel Visser. “Het meeste effect heeft een koppel dat zo vroeg mogelijk in het voorjaar begint met rupsen te ruimen. Dan verwijderen ze namelijk de rupsen die nog te klein zijn om daadwerkelijke schade toe te brengen.” De teler tolereert een bepaald aantal rupsen per boom, voordat hij de gifspuit uit de schuur haalt. Die ‘spuitdrempel’ kan omhoog dankzij de koolmezen. De rupsen beschadigen overigens alleen de schil. Een appel vormt daar een kurkkorstje, vergelijkbaar met als je als mens een wondje hebt. “Zo’n kurkvlekje is prima eetbaar. Consumenten zouden moeten beseffen dat ze heel veel eisen door zowel onbespoten als puntgave appels te willen”, zegt Mols. Wanneer de rupsen op zijn stappen koolmezen later in het seizoen net zo makkelijk over op bladluizen, vliegende insecten en spinnen. Zo blijkt uit video-opnamen met een camera binnen de kasten. Naar schatting hebben inmiddels enkele tientallen fruittelers kasten opgehangen. Mede omdat ze daardoor het Milieukeur verdienen voor hun product en een hogere prijs voor hun appels en peren kunnen vangen. Het aantal telers met vogels als partner in bestrijding zal rap toenemen, verwacht Visser. “Reden is dat het aantal rupsen groeit, omdat meer en meer middelen in de ban worden gedaan door de overheid. Bovendien komen er steeds meer biologische telers, die helemaal geen gif spuiten”. Acceptatie van vogels als hulp in de landbouw gaat trouwens niet van vandaag op morgen. Sommige fruittelers zien mezen liever gaan dan komen. Vooral zoetsappige peren zijn zeer geliefd bij mezen (mezenschade vorig jaar 100 000 euro). Maar wanneer peren en appels door elkaar worden geteeld op hetzelfde bedrijf is dat eenvoudig op te lossen door een andwere inrichting, meent Visser. “De schade is altijd beperkt tot de twee buitenste rijen vanaf de windsingel. Zet nu als de eerste vier, vijf rijen een beetje zure appels, daar houden mezen niet van, en hou de peren veilig in het midden. Die andere inrichting van de bongerd is niet zo’n probleem, want de telers rooien elke zes jaar hun bomen en zetten daar nieuwe voor in de plaats”. De schade door dieren in de land- en tuinbouw neemt jaarlijks toe. Volgens het Faunafonds, dat de geleden oogstschade compenseert, hebben Nederlandse boeren in toenemende mate last van muizen. Het aantal schademeldingen steeg van 4500 in 2005 naar 4800 in 2006. In totaal is 7,2 miljoen euro uitgekeerd aan faunaschade. Grootste slokop is echter ganzenvraat op weilanden, een derde komt door muizen die aan wortels en stammen knagen. Spits- en woelmuizen kunnen goed worden aangepakt door torenvalken. Dat gebeurt niet alleen in boomgaarden, maar ook in de akkerbouw en bloembollenteelt. Deze roofvogels jagen vanuit de lucht en zitten graag op een uitkijkpost om van bovenaf de grond te bespieden. Nodig zijn ook zitstokken met vrij uitzicht op een hoogte van drie tot vier meter. De torenvalk verjaagt spreeuwen die in het najaar voor flink veel overlast zorgen in de boomgaard. Buizerd en steenuil zijn ook goede jagers. Buizerds kunnen in de nestkasten van de torenvalk. Voor uilen zijn aparte kasten vereist. De muizen zijn makkelijker te vangen in een kort gemaaide begroeiing. Perceelsranden, zoals houtwallen en bloemrijke stroken, worden aangepast om natuurlijke vijanden te lokken. Hier wordt studie naar gedaan door Praktijkonderzoek Plant en Omgeving te Lelystad. Nodig zijn voedselplekken, schuilplaatsen en voldoende ruimte om voort te planten. Variatie in aanbod van biodiversiteit, daar gaat het om bij biologische bestrijding. Ook op het veld worden soms ruigtes aangebracht om de dierlijke helpers van de boer te behagen en te zorgen dat ze niet elders hun heil gaan zoeken. Sommige zomerbloemen, zoals zonnebloem, zijn erg gevoelig voor rupsenvraat. Daarom zie je langs de percelen steeds vaker nestkasten verschijnen om kool- en pimpelmezen te lokken. Sport- en golfterreinen hebben last van mei- en junikevers, althans van de engerlingen. Deze larven zijn dol op gras. Door in de buurt nestkasten voor spreeuwen te plaatsen kan het probleem op een natuurlijke wijze onder de duim worden gehouden. Spreeuwen voeden hun jongen voor tachtig procent met insecten. Andere insecteneters die iets kunnen betekenen voor de boer en tuinder zijn zwaluwen, die zich vooral in en rond gebouwen ophouden. Vliegenvangers eten rupsen in bomen en insecten op de grond. Ze broeden vanaf begin mei en zijn te bevorderen door nestkasten op te hangen. Zwarte en gekraagde roodstaarten broeden vanaf eind april en kunnen dat eveneens goed in nestkasten. De grote bonte specht eet onder meer larven van de appelglasvlinder. Waarschijnlijk broeden ze in nabije bosgebieden en vliegen van daaruit naar de boomgaard om te foerageren. Het Louis Bolk instituut, een onderzoeksinstelling voor biologische landbouw te Driebergen, heeft onderzoek gedaan naar de mogelijke combinatie van fruitteelt en pluimveehouderij. Loslopende leghennen geven mest aan de bomen in ruil voor voer in de vorm van insecten, wormen en ander bodemgrut. “Kippen eten alles wat loopt, kruipt of vliegt. Het zijn prima opruimers”, zegt Monique Bestman van het Louis Bolk instituut. De kippen lusten onkruid, houden het gras kort en maken korte metten met fruitmot, zaagwesp, appelbloesemkver, perengalmug, bessenbladwesp en aardbeibloesemkever. Aan de andere kant verschalken ze ook nuttige insecten zoals oorwurmen en spinnen. “Een echte combinatie van twee volwaardige takken lukt niet. De nadruk blijft toch liggen op fruitteelt. Alleen op kleine schaal is er voordeel te behalen door een paar kippen los te laten lopen.” Nodig is dan een verplaatsbaar hok, een ei-mobiel, waarin de leghennen hun eieren kwijt kunnen en overnachten. In dit verrijdbare hok, met zitstokken, voerbakken en legnesten, zit geen bodem zoadat de mest direct op de vloer valt. Hier is onder meer ervaring mee opgedaan in Duitsland. Er is een voerbesparing van twintig procent. Maar door de hoge arbeidskosten is deze vorm van kippen houden niet rendabel bij grotere aantallen. “Bijkomend probleem is dat de kippen niet continu kunnen rondlopen, omdat er regelmatig moet worden gespoten met middelen waar je de kippen liever niet tussen wil hebben”. In de Flevopolder is er een boer die experimenteert met het houden van kalkoenen tussen zijn fruitbomen. Kalkoenen vreten grotere insecten en zijn ook niet vies van een muis. Een biologische boomkweker uit Boskoop laat krielkippen vrij scharrelen tussen zijn aanplant. De kippen lopen het hele jaar vrij rond. Ze worden enigszins gestuurd door ze op gewenste plekken bij te voeren. Ze rekenen af met onkruid, straatgras en de taxuskever, de belangrijkste plaag in de bomenteelt. De kippen staan hier volledig in dienst van de boomkwekerij. De eieren worden niet geraapt. In Duitsland loopt een experiment met krielkippen onder kersenbomen om de kersenvlieg te bestrijden. De eerste resultaten zijn positief. Bij de teelt van klein fruit kunnen Chinese dwergkwartels en Californische kuifkwartels op de grond worden ingezet tegen bessenbladwespen. Voor de teelt van rode bessen zijn met succes proeven gedaan met kaneelmezen door Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO) in Randwijk. Bij bramen kunnen krielkippen de bladgalmug en aardbeibloesemkever bestrijden. Verder zijn er goede resultaten behaald met tropische vogels in de glastuinbouw door het PPO te Naaldwijk. De exotische timalia’s, die vooral op de grond actief zijn, teren het hele jaar door op Turkse mot en bladrollers. Ze worden bijgevoerd met universeel voer en meelwormen. Slechts 25 thimalia’s per hectare glas zijn er nodig. Roodkopnontimalia’s zijn zeer effectief in hoog groeiende gewassen zoals aubergine, komkommer, tomaat en paprika. Deze schuwe vogels houden van beschutting. Binnen de sierteelt gaat het om rozen- en gerberateelt. Ook kwekers van vaste planten als klimop, druiven en blauwe regen tonen interesse. Veel meer tuinders zouden deze vorm van biologische bestrijding willen invoeren. Maar er zijn simpelweg te weinig vogels om aan de enorme vraag te voldoen. “Import van deze fladderaars uit China, Thailand en Korea staat ter discussie, omdat ze daar uit het wild worden geroofd. Daarom hebben we geprobeerd de vogels in gevangenschap te kweken. Maar dat lukt niet goed”, zegt Anton van der Linden van PPO Naaldwijk, geestelijk vader van deze aanpak in de kassen. Om die reden zijn de kassen niet langer volières. Alleen in de kassen van Hortus Botanicus in Leiden lopen nog kwartels rond. Als het aan Marcel Visser ligt zouden koolmezen van dienst kunnen zijn voor de glastuinders. “Maar om een of andere vreemde kromme reden is het bij wet verboden om hiervoor inheemse soorten te gebruiken.” Innovatieve telers van snijbloemen nemen nu hun toevlucht tot hagedissen en salamanders tegen kruipend ongedierte. Egels worden door hen ingezet tegen pissebedden en miljoenenpoten. [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
