Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



Tefaf
Tefaf

Tefaf


datum plaatsing

Week 10, 2008

medium

HP/de tijd

auteur

Sandra Jongenelen


Vijf letters zijn het. Achter elkaar uitgesproken doen ze denken aan een pan met antiaanbaklaag, maar Tefaf heeft daar niets mee te maken. De afkorting staat voor The European Fine Art Fair, de beste kunst- en antiekbeurs ter wereld. Het prestigieuze evenement in Maastricht trok vorig jaar 71.000 bezoekers, al is dat aantal eigenlijk onbelangrijk. Wat telt is de kwaliteit van het publiek. De beursorganisatie heeft liever vijftigduizend kapitaalkrachtige kopers, dan honderdduizend kunstliefhebbers.

Maar laat dat vooral niemand weerhouden van een bezoek. Want Tefaf is ook een museum, waar je ogen te kort komt. In het Gemeentemuseum Den Haag is tot begin juni een overzichtstentoonstelling met het werk van Lucian Freud (1922) te zien. Speciaal daarvoor kocht directeur Wim van Krimpen een aquarel en ets van de Brits/Duitse kunstenaar van het niets verhullend naakt.
Bijzonder aan Tefaf is dat je daar een schilderij van deze eigenzinnige schilder kunt kopen. In Nederland bezit alleen het particuliere Scheringa Museum voor Realisme in Spanbroek een olieverf. Controleer vooraf wel de bankrekening, want Ria, Naked Portret – waaraan de kleinzoon van Sigmund Freud in 2006 en 2007 ruim zestien maanden werkte – kent een vraagprijs van $ 15 miljoen.

Terwijl het in de meeste kunstinstellingen not done is over bedragen te praten, maakte Tefaf bekend dat het beursaanbod een waarde van meer dan één miljard euro vertegenwoordigt, de sectie juwelen niet eens meegerekend. Het aanbod is ook veel breder dan enig museum. Want waar vind je de beste kunst van de oudheid tot gisteren onder één dak? Van Egyptisch grafbeeldje tot videokunst van Bill Viola (1951), van gebedenboek tot Franse commode en Chinese kom.

Behalve als topmuseum fungeert Tefaf eveneens als ontmoetingsplek voor de happy few. Vorig jaar landden op het nabijgelegen Maastricht Airport 305 privé-vliegtuigen, een stijging van 45 procent ten opzicht van het jaar daarvoor. Lijfwachten met ‘oortjes’ vergezelden Silvio Berlusconi, voormalig premier van Italië, over de beursvloer. Maar ook sjeik Saud Al-Thani van Qatar – jarenlang de grootste kunstverzamelaar ter wereld – maakte zijn entree. Tegelijkertijd zongen geruchten rond over de komst van sterren als Brad Pitt en Meryl Streep.
Het geheim van Tefaf schuilt in de hoge kwaliteit en strenge selectie. Kandidaten staan in de rij om mee te doen, maar slechts 227 handelaren en galeriehouders lukten dat dit jaar. De deelnemers vertegenwoordigen vijftien landen. Achttien procent komt uit Nederland.

Onder hen Douwes Fine Art, gevestigd in een statig pand naast het Rijksmuseum in Amsterdam. De kunsthandel werd in 1805 officieel opgericht en staat bekend als het oudste bedrijf van Nederland en Europa. De band met Tefaf is sterk, doordat de vader van Evert Douwes – de zesde generatie aan het roer – tot het selecte gezelschap oprichters behoorde.

Een rondleiding maakt duidelijk hoe divers het werkterrein is. De nadruk ligt op zeventiende-eeuwse schilderijen, maar er zijn ook Russische doeken en Chinese aquarellen uit de vorige eeuw. Opmerkelijk is een vijftien jaar oud minimalistisch wit werk naast een serie etsen van Rembrandt. In het restauratieatelier staat zelfs een schilderij van cabaretier Toon Hermans, dat vier jaar geleden bij Christie’s werd verworven.

Een kunsthandel met vijf eeuwen schilderkunst is tamelijk uniek, maar het is zo gegroeid, legt Evert Douwes uit. ‘Iedere generatie voegde weer iets toe.’ Zelf bracht hij bij het tweehonderdjarig bestaan in 2005 de Rembrandt-etsen binnen. Het is merkwaardig dat dat niet eerder gebeurde.

Want nadat een professor tijdens zijn studietijd in Londen in de jaren zeventig – hippietijd, dus baard en snor –  spontaan had geroepen ‘you’re just like Rembrandt’, gaat Douwes met die bijnaam door het leven.

Op Tefaf biedt hij meerdere Rembrandts aan, waaronder de tweede en derde staat van Tobias en de engel uit 1641. ‘Voor een Amerikaan is een ets uit de achttiende eeuw al heel oud, maar wij handelen alleen in werk uit de zeventiende eeuw.’ Hij legt het verschil tussen de twee etsen uit. ‘Elke verandering aan de plaat en afdruk noemen we een staat. Stel je voor dat Rembrandt eerst de familie afbeeldde. Om te kijken hoe dat uitpakte, maakte hij enkele afdrukken. Dat noemen we de eerste staat. Daarna tekende hij er de engel bij en drukte die af: de tweede staat. Bij de derde staat was het tafereel af en had de kunstenaars er zijn handtekening onder gezet.’
Met een vraagprijs tussen de twintig- en dertigduizend euro zijn de etsen betrekkelijk goedkoop. Dat geldt niet voor het monumentale doek van Balthasar van der Ast dat Douwes ook in Maastricht toont. Daaraan hangt een prijskaartje van twee miljoen euro. Het zeventiende-eeuwse schilderij hing ooit in het atelier van de kunstenaar en laat alle stillevenstukken zien die hij maakte. De lay-out is bijna hedendaags met kleine en grote objecten naast elkaar.

Het maakt duidelijk hoezeer de schilderkunst vierhonderd jaar geleden een ambacht was, zegt Douwes. ‘Kwam een klant in de studio dan vroeg de kunstenaar eerst naar zijn budget. Voor bijvoorbeeld driehonderd gulden schilderde hij het bordje met bessen, eventueel met wat schelpen erbij. Hield de vrouw van de opdrachtgever van bloemen? Een boeket kostte het dubbele. Viel dat niet in de smaak dan bood een papegaai en wat vruchten misschien uitkomst.’

Toonschilderijen bevinden zich in musea en zijn in de vrije verkoop relatief schaars. Maar ís er gezien de financiële spanningen nog wel sprake van een markt? ‘Verwoedde verzamelaars schrapen hun spaarcentjes bijeen en zullen blijven kopen’, vermoedt Douwes. Hij maakt zich totaal geen zorgen. ‘Op het eerste gezicht lijkt het onlogisch, maar staat de financiële markt onder druk dan gaat het juist goed met de kunstmarkt. ’Mensen investeren graag in kunst doordat de waarde niet meegaat met dat gejojo van de economie. Daarbij geldt: goede kunst is altijd verhandelbaar.’

Dat is ook de ervaring van Jacques Fijnaut, eigenaar van Kunsthandel Jacques Fijnaut, die zichzelf als een typische generalist omschrijft. De laatste jaren  specialiseerde hij zich in achttiende-eeuws Nederlands zilver, dat hij nu op Tefaf aanbiedt. ‘Antiquairs merken weinig van de economische situatie’, constateert hij. ‘Op de beurs lopen mensen met heel veel geld. Verlies je tweehonderd van de zeshonderd miljoen dollar dan heb je nog genoeg. Ook speelt mee dat antiek minder duur is dan een schilderij. Daar is altijd wel geld voor te vinden.’

Als Tefaf-deelnemer van het eerste uur – al 22 jaar present – overziet Fijnaut de trends van de afgelopen jaren. ‘Mensen houden meer van luxe. Rijk uitziend zilver heeft de plaats ingenomen van tin en brons. Ook is er meer belangstelling voor modern design in combinatie met uitgelezen antieke objecten. Verzamelaars van snuisterijen als tabaksdozen heb je nog  nauwelijks.’
In zijn huis in Amsterdam laat hij vier achttiende-eeuwse zilveren kandelaars van Daniël Courou uit Arnhem zien, klaar voor vertrek naar Maastricht. Ze verkeren in een prachtige staat. In het oog springend zijn de vetvangers, die als een soort asymmetrische bloem de top van de kandelaar bekronen. Tot voor kort behoorden ze toe aan een adellijke Nederlandse familie, maar volgens Fijnaut is de herkomst minder belangrijk. ‘Mensen die zilver kopen, kijken allereerst naar de kwaliteit.’

Hij vertelt dat de eigenaren van weleer de kandelaars niet alleen aanschaften omdat ze praktisch en mooi waren. Het zilver toonde ook je status. Hoe rijker je was, des te meer zilver er blonk. Dat verklaart ook dat de kandelaren de tand des tijds zo goed hebben doorstaan. ‘Ze waren in handen van mensen die ze koesterden en er zorgvuldig mee omgingen.’

Datzelfde geldt voor de broodmand uit dezelfde tijd van Reynier de Haan. Opvallend zijn de kleine puntjes aan de randen van het vlechtwerk, waarmee de mand aan de binnenkant is versierd. De gravering is zeldzaam, vertelt Fijnaut. Zet hij er een ‘gewoon’ exemplaar naast, dan valt direct het verschil op. ‘De gravure maakt het af. Je ziet dat er zorg aan is besteed.’

Aan de onderkant van de mand gaat een stadskeurmerk van Den Haag, een meesterteken van De Haan en het jaarletter Y, dat voor 1770 staat, schuil. Behalve een belastingteken uit 1795 zitten er ook twee ‘Napoleonkrassen’ in. Die stammen uit de tijd dat Nederland onder Frans bewind stond (1795 – 1815) en Napoleons broer hier de scepter zwaaide.

Om zijn kostbare veldtochten te betalen hief Napoleon onder andere belasting op zilver. De hoogte daarvan hing af van de kwaliteit, die werd bepaald aan de hand van wat uitgestoken zilver. De broodmand van De Haan bevat twee gutsen van ongeveer drie centimeter. Vermoedelijk is het schraapsel de eerste keer op de grond gevallen, waardoor een tweede kras nodig was.

Fijnaut zit sinds 1976 in het Spiegelkwartier, maar zijn winkel op de begane grond gebruikt hij niet meer. ‘Dat heeft geen zin. Mensen kopen toch op beurzen. In tien dagen tijd krijg ik 35.000 mensen in mijn stand. Dat haal je hier niet.’ Om dezelfde reden is de nabij gelegen kunsthandel van antiquair, juwelier Marjan Sterk slechts op afspraak geopend. ‘Mensen vinden het lastig om naar Amsterdam te komen’, merkt ze. ‘Bij de beurs in Maastricht is het gemakkelijk parkeren. Klanten kunnen daar ook het aanbod van meerdere juweliers bekijken. De specialisten zitten in het hele land. Zou je ze allemaal afgaan, dan kost dat dagen.’ Ook speelt de veiligheid een rol. Het is domweg te gevaarlijk de gehele collectie in het stadscentrum onder te brengen.

Sterk is dit jaar voor de derde keer op Tefaf en beschouwt haar deelname als een blijk van erkenning. Ze is al meer dan twintig jaar actief. ‘Het was een proces van jaren om toegelaten te worden, maar nu kan ze zich meten met de grote jongens van de juwelenbranche. ‘Tefaf is een lat, een ijkpunt voor de handel.’

In de zaak waar de verhuisdozen voor Maastricht worden ingepakt, dreven Sterks grootouders ooit een groente- en fruitwinkel. Haar ouders vestigden er een lunchroom. Antiquairs als Jacques Fijnaut dronken er koffie en sloten er deals. Sterk zette er voorzichtig één vitrine in en breidde dat na het vertrek van haar ouders uit naar zilver en juwelen. Antiquair Juwelier Marjan Sterk was een feit.
Anno 2008 bevat haar juwelencollectie klinkende namen als Cartier, Tiffany en Van Cleef et Arpels en waaiert hij uit van de negentiende tot aan het eind van de vorige eeuw. Art Deco – een populaire stroming tussen 1920 en 1930 met de nadruk op strakke vormen en een combinatie van de kleuren zwart, wit en bijvoorbeeld rood of groen – is sterk vertegenwoordigd.

Meedraaien op internationaal niveau betekent dat Sterk een duidelijke signatuur
moet hebben. Eerste vereiste is de kwaliteit. Gerommel met oorbellen die eerst manchetknopen waren, is ondenkbaar. Daarnaast is haar aanbod draagbaar, relatief betaalbaar en net even anders. ‘Je hebt statements nodig

om de collectie een bepaald gezicht te geven.’
‘Van de buitencategorie’ is bijvoorbeeld een punkachtige ketting van zwarte, antraciete en gouden staafjes uit 1980. Het is een ontwerp van de Amerikaanse Angela Cummings in opdracht van Tiffany & Co, dat daarmee een hipper imago wilde creëren. Op zoek naar een nieuw segment klanten schakelde het New Yorkse juwelenhuis ook architect Frank Gehry en Paola Picasso in, ontwerpster en dochter van.

Het puntige collier dat rond de tienduizend euro kost, behoort tot het antiek van de toekomst. Dat geldt ook voor de ring die de Amerikaan David Webb een jaar of twintig geleden ontwierp. Met een grote bol van bijna drie centimeter doorsnede vol diamanten en parels behoeft het nauwelijks toelichting dat dit sieraard in de buitencategorie valt.

De gouden ‘geweven’ armband van Cartier uit de jaren vijftig van de vorige eeuw oogt op het eerste gezicht klassiek, maar behoort daar ook toe. De asymmetrische vorm maakt hem speels en eigenwijs. Op tafel heeft Sterk een groot aantal toppers uitgestald die meegaan naar Tefaf, waaronder oorbellen met smaragd. De stenen lijken wel fluorescerend groen. ‘Een bijna buitenaardse kwaliteit.’
Uitzonderlijk is de broche in de vorm van een fontein, die Sterk in de Tefaf-catalogus liet afbeelden. Vooral onder een loep is te zien hoe fraai de stenen zijn gezet en geslepen. Er blinkt nagenoeg geen metaal tussen. Het sieraad werd rond 1920 gemaakt, waarschijnlijk in opdracht, omdat hij niet is gesigneerd.

Met dank aan Tefaf bouwt Sterk aan een internationale klantkring die in Londen, Hongkong, Parijs en Maastricht shopt. Ze verwacht dat de economische strubbelingen geen invloed hebben op de omzet. ‘Het prijsniveau van juwelen ligt aanmerkelijk lager dan van een Renoir of Picasso. Bij ons heb je voor tienduizend euro al een echt mooi stuk.’ Bijkomend voordeel is dat kopers niet snel met ruimtegebrek kampen, een luxeprobleem voor schilderijenverzamelaars. ‘Een juwelenkistje is nooit vol. Bovendien zijn de dames altijd weer jarig.’

[ < terug ]

aanverwante artikelen: