Ook in onze voormalige koloniën staat nogal wat gebouwd cultureel erfgoed, Het behoud ervan spreekt allerminst vanzelf. Indonesië moet het hebben van een heuse lobbyist in Nederland. Terwijl er in Suriname een kwast witte verf aan te pas moest komen om aandacht te vragen voor het onderhoud. Grootschalige renovatie zit er voorlopig niet in, tenzij het bedrijfsleven zich er mee gaat bemoeien.
‘Voor je het in de gaten hebt, wordt er een monument gesloopt om een nieuw casino of een roti-shop aan te leggen’
Vanuit een bootje op de Suriname-rivier biedt de binnenstad van Paramaribo een fraai aanzicht. Tussen manja- en amandelbomen schittert een rij witte gebouwen, in koloniale stijl. Brede trappen, sfeervolle veranda's en pittoreske gevels. Tot en met de dakgoot opgetrokken uit hout. Er is weinig verbeeldingskracht nodig om te bedenken hoe hier, aan de waterkant, plantagehouders, koopvaarders en slavenhandelaren kantoor hielden. Dat is meer dan anderhalve eeuw geleden. Maar wie de oude panden van dichtbij bekijkt, kan zich veel minder goed voorstellen dat ze vroeger werden bewoond. Deuren hangen uit hun voegen, wanden zijn geperforeerd door houtluis en de verflaag is niet bepaald dekkend. Sommige gebouwen staan letterlijk op instorten. Toeristen en andere buitenlandse voorbijgangers vragen zich hardop af waarom Suriname niets doet om haar visitekaartje beter te conserveren.
Erkenning leidt tot geld?
De oorzaken liggen voor de hand. Onder houd van historische panden is geen prioriteit in een ontwikkelingsland, het tropische en vochtige klimaat betekent sowieso een zware aanslag voor de houten gebouwen en bovendien ontbreekt het in Suriname aan cultuur-historisch besef. De Nederlandse architect Philip Dikland, die twintig jaar geleden een eigen bureau begon in Paramaribo, ziet het verval met lede ogen aan: 'Eigenlijk zou er een groot hek om de binnenstad moeten komen. Voor je het in de gaten hebt, wordt er een monument gesloopt om een nieuw casino of een roti-shop aan te leggen.'
Dat hek zit er niet voorlopig niet in. De bescherming komt nu grotendeels van Unesco, dat de historische binnenstad van Paramaribo vorig jaar een plaats gaf op de Wereld-erfgoedlijst. In eerste instantie schiet de stad daar nog weinig mee op. Het geldt eigenlijk meer als aanbeveling dan dat er geld binnenkomt om de panden te restaureren. Dal zegt Stephen Fokké, directeur van de Stichting Gebouwd Erfgoed Suriname: ‘Een plaats op de Wereld-erfgoedlijst betekent internationale erkenning, maar meer ook niet, In elk geval nog geen grote sommen geld. Wel opent het de weg naar belangrijke internationale financiële bronnen. De Inter-Amerikaanse Ontwikkelings Bank bijvoorbeeld.’
Zolang er nog geen geld beschikbaar is om echt aan de slag te gaan, houdt Fokké zich bezig met voorbereidend werk. Zoals de formele aanwijzing van monumenten, de toetsing van verbouwingsplannen of het bedenken van constructies om het bedrijfsleven als partner bij renovatieprojecten te betrekken. Niet eens zozeer voor de renovatie zelf als wel voor het onderhoud erna, dat altijd al een gevoelig punt is geweest in Suriname. Misschien dat daar, via de regeling om onderhoudskosten als fiscale aftrekpost op te voeren, verandering in komt.
Cosmetische ingreep
In totaal zijn inmiddels vier historische panden in Paramaribo onder handen genomen, al dan niet met overheidssteun, jaarlijks komt daar hooguit één gebouw bij. En dat is veel te weinig op een totaal van honderden monumentale panden die toe zijn aan een opknapbeurt. Voor Micha Wijngaarde en Carel Weeber vormde dit gegeven de aanleiding om hel project ‘Wit Paramaribo’ in gang te zetten. Voorafgaand aan het jaarlijkse internationale filmfestival in de stad liet het tweetal ruim twintig monumentale panden wit verven. Op een enkele beperkte houtreparatie na ging het niet om daadwerkelijke restauratie. De initiatiefnemers wilden met de actie aantonen dat ook een vluchtige, cosmetische ingreep het aanzien van de stad al flink omhoog haalt. De bedoeling was ook om met dit voorbeeld de aandacht van binnen- en buitenlandse geldschieters te trekken. ‘Wit Paramaribo’ gold als symbolisch initiatief met een dubbele lading. De witte verf sloeg terug op de vroegere witte uitstraling van de stad in de regio. Daarnaast was er de associatie met de witte filmdoeken van het festival.
Wijngaarde, in het dagelijks leven consultant bij Prucrap in Amsterdam, een bureau voor bouwproject-management, beschouwt de actie als een knipoog, maar wel één om over na te denken. ‘Met dit initiatief willen we de discussie over de restauratie van de historische binnenstad aanwakkeren. Dat is hard nodig. Als we er nu niet in slagen het bewustzijn bij te brengen, staan er over tien jaar nog maar een paar van die mooie gebouwen overeind.’ Volgens Wijngaarde heeft het weinig zin om allerlei ambitieuze plannen te ontwikkelen. Eerst maar eens op kleine schaal resultaat laten zien en daarna bekijken of er meer valt te realiseren. En als Wijngaarde daar zelf een rol als ‘ambassadeur fondsenwerving’ in kan spelen, doet hij dat met plezier.
Lobbyen
De fase van bewustwording en het benaderen van Nederlandse instanties hebben ze in Indonesië al achter
de rug. Voor zover het grote aantal historische bouwwerken en de verspreiding ervan over de verschillende eilanden binnen de archipel natuurlijk valt te vergelijken met de situatie in het veel kleinere Suriname. In de periode na de onafhankelijkheid in 1949 was gebouwd cultureel erfgoed geen issue in voormalig Nederlands-Indië. In een republiek in opbouw was daar ook geen tijd en geld voor Bovendien was ook hier sprake van een moeizame relatie met de voormalige kolonisator.
De laatste jaren is de aandacht hernieuwd, vertelt de Bossche architect en voormalig BNA-bestuurder Cor Passchier: ‘Uiteindelijk is het besef doorgedrongen dat gebouwd erfgoed belangrijk is voor de identiteit en manifestatie van een stad of een wijk.’
Sinds Passchier in '78 voor het eerst in Indonesië kwam, heeft het land hem niet meer losgelaten. Naar eigen zeggen heeft hij zich daarna ontwikkeld tot ‘geschoold lobbyist’ voor het gebouwd erfgoed in Indonesië. En niet zonder resultaat. In de jaren tachtig stelde hij zelf een monumentenlijst voor de Javaanse stad Bandung op. Ook kwam het tot structurele samenwerking met de BNA.
En na verschillende proefprojecten krijgt Indonesië binnenkort de beschikking over een eigen nationaal documentatiecentrum om het gebouwd erfgoed in kaart te brengen. Of er op termijn architecten uit Nederland aan het werk kunnen in Indonesië, is nog maar de vraag. Vakinhoudelijk heeft het land geen hulp nodig. Er zijn talloze gediplomeerde vakgenoten waarvan het merendeel naarstig op zoek is naar nieuw werk. En volgens Passchier zit het met het niveau ook wel goed: ‘Ze zijn heel behoorlijk in staat hun eigen broek op te houden. Deze samenleving kan geheel op eigen kracht een nieuw Manhattan neerzetten.’
Beperkte rol
Waarschijnlijk blijft de rol van Nederlandse experts dan ook beperkt tot adviseren en meedenken. Althans, als de financiering van de verschillende overheden moet komen.
Wellicht biedt de private sector betere vooruitzichten. Met het laatste project in Suriname waar Nederland voor een fors deel aan heeft meebetaald, heeft de overheid die richting aangegeven. Het gaat om Frederiksdorp, een voormalige cacao- en koffieplantage, op twintig kilometer van Paramaribo, Deze locatie werd eind vorig jaar heropend, als hotel annex appartementencomplex. De subsidiegever, het aan Buitenlandse Zaken gelieerde Hagisfonds, had als voorwaarde gesteld dat de eigenaar van het complex het toekomstig onderhoud moest kunnen garanderen. Met de opbrengsten uit het toerisme kan hij nu aan die eis voldoen.
Misschien ligt daar de oplossing voor het behoud van gebouwd erfgoed in Indonesië en Suriname: particuliere sponsors vinden en de historische panden in gebruik geven voor commerciële doeleinden. In dat geval liggen Nederlandse architecten aardig in de Surinaamse markt bijeen internationale aanbesteding.
De taal is het probleem niet en tegelijkertijd zijn ze vertrouwd mei het Nederlands erfgoed.
Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.