Interview Jan Wolff |
|
datum plaatsing |
12 december 2006 |
medium |
BladNA |
auteur |
Diederik Samwel |
‘De bouwpartijen hadden geen ervaring met concertzalen. Ik wel.’ Na twintig jaar lobbyen, speuren en vergaderen opende algemeen en artistiek directeur Jan Wolff vorig jaar zijn veelgeprezen Muziekgebouw aan ‘t IJ. Het was alsof hij het gebouw al een paar keer eerder had neergezet, terwijl de bouwpartijen geen ervaring hadden met een concertzaal. Daarom moest Wolff nogal eens voet bij stuk houden. ‘Ik leek wel een onberekenbare lastpak. Maar ik had wel vaak gelijk!’ Wat was de aanleiding voor de bouw van het Muziekgebouw? ‘In het Concertgebouw wordt al ruim honderd jaar op ongekend hoog niveau gespeeld. Maar in de 20ste eeuw is minder voor symfonieorkesten gecomponeerd. Componisten als Debussy, Ravel, Strawinsky hebben een ander repertoire met een andere klankkleur gebracht. Na 120 jaar gecomponeerd erfgoed was de tijd rijp om een muziekgebouw neer te zetten voor deze ensemblecultuur. Maar dat is nog iets anders dan het overtuigen van stedebouwers en politici.’ Hoe hebt u dat aangepakt? ‘Om te beginnen door in mijn eentje het initiatief te nemen. Groepsprocessen lopen vaak stuk op meningsverschillen en uiteenlopende idealen. Dat heb ik wel geleerd van de pogingen om een centrum voor Kamermuziek van de grond te krijgen. Elke vergadering eindigde in ruzie. Vier jaar voorbereidingen (van ’75 tot ’79, DS) zijnuitgelopen op een totale mislukking. Toen ben ik eruit gestapt en De IJsbreker begonnen. Binnen de kortste keren hadden we driehonderd concerten per jaar. Ook internationaal bleek het een groot succes: een podium waar uitsluitend nieuwe muziek klonk. Het was er alleen veel te klein en te warm.’ Er moest een nieuw podium komen. ‘In ’86 besloot ik aan een zaal zoals deze te beginnen. Ik wilde het succes van De IJsbreker aanwenden voor een nieuw gebouw. Omdat je eerst een plan moet hebben, ben ik naar Herman Hertzberger gestapt. Die had muziekcentrum Vredenburg ontworpen en zo’n naam had ik nodig. Maar eigenlijk had Hertzberger helemaal geen zin in mijn plan. Ik kwam niet als opdrachtgever bij hem binnen, maar als man zonder geld. Met 30 duizend gulden van een sponsor zag Hertzberger het nog niet zitten. Hij was ervan overtuigd dat we het gebouw toch nooit zouden realiseren.’ Hij heeft ook geen ontwerp gemaakt? ‘Hertzberger heb ik nauwelijks gezien. Hij heeft zijn assistent een kubus laten tekenen, zo’n vierkant ding. Toen heb ik voorgesteld iets te doen met het dak; daar moeten kantoren komen voor verschillende stichtingen. Collega’s maar tegelijkertijd ook concurrenten. Kun je niet wat welvingen maken in het dak zodat die stichtingen allemaal een eigen identiteit krijgen? Tuintje ertussen, dan krijgen we een prachtig dak. Vier weken later had ik een kubus met glooiingen en was het af. Daarna heb ik het plan gelanceerd bij Arcam en een lezing gegeven bij de Amsterdamse Kring. Stond ik na afloop bij die maquette en hoorde ik twee heren tegen elkaar zeggen dat ze die welvingen zo typisch Hertzberger vonden. Tja, dacht ik, jullie moesten eens weten.’ Wat gebeurde er met het ontwerp? ‘Er kwam een lange periode waarin ik van alles heb ondernomen om mijn idee te presenteren en locaties te zoeken. Van het zwembad aan de Heiligeweg, het Amstelhof tot de Haarlemmerpoort en de Graansilo. Lange tijd zijn we bezig geweest met een locatie op het Westergasfabriek-terrein. Uiteindelijk kwam ik in de plannenmakerij voor de IJ-oevers terecht.’ Dat bepaalde de gemeente. ‘Want die zou het betalen. Op dat moment werden allerlei dossiers op één hoop gegooid voor dezelfde plek, op de kop van IJ. Rem Koolhaas werd gevraagd een integraal plan te ontwikkelen. Dat leidde tot een soort Chinese puzzel. Koolhaas wilde groots en meeslepend bouwen, ook boven de spoorbaan. Ik vond het een afschuwelijk, onzalig plan en dat heb ik ook gezegd voor de camera van AT5. Dat werd een enorme rel in de pers; politici doken er bovenop. Uiteindelijk werd het plan van Koolhaas afgeblazen.’ U kreeg de huidige locatie en de Nielsens mochten het ontwerp maken. Wat was er zo bijzonder aan hun ontwerp? ‘Zij waren de enige die het BIM-huis en het Muziekgebouw separaat hielden en toch in elkaar schoven. Daarbij hebben Scandinaviërs een speciale, ingetogen manier om met materiaal om te gaan: stijlvol, met veel warmte, maar nooit overdreven. Wel hadden ze de zaal boven en de foyers beneden geplaatst. Het was nog een heel gedoe om ze daar van af te brengen.’ Wat had u zelf voor gebouw in gedachten? ‘Ik wilde tijdloze architectuur; niet modieus, zoals het Groninger Museum. Het nadeel daarvan is dat je kennelijk aan de buitenkant moet zien hoe bijzonder het van binnen is. Daar kan ik me mateloos aan ergeren. Ik vind dat de kracht de inhoud is. Het gaat om de muziek en daarnaast moet je je ergens meteen prettig voelen. Geen naar buiten gerichte tierelantijntjes. Ook geen extreem gebouw op pootjes, zoals het ING-gebouw aan de Zuid-as. Aan de buitenkant rustig, wel een enorme luifel, een grote doos.’ Hebt u verstand van architectuur? ‘Na twintig jaar is het alsof ik meerdere gebouwen gemaakt heb. Ik was er voortdurend mee bezig. Op den duur sprak ik ook een beetje de taal van de bouwpartijen. Volgens de boekjes is 20 tot 30 dB bijvoorbeeld de norm voor luchtbehandelinginstallaties. Die krankzinnige fout heeft tot gevolg dat ze in veel schouwburgen de installatie uitzetten als de zaal vol zit en het warm is. Of ze laten dat ding aanstaan en dan hoor je het gebrom als er zacht gespeeld wordt. Ik heb uitgezocht dat je heel grote installaties moet maken met grote kanalen die grote hoeveelheden lucht in trage snelheid naar de zaal brengen. Wanneer je als opdrachtgever zulk soort dingen roept, maakt dat indruk. In twintig jaar ben ik erachter hoe je met akoestiek, lichttechniek en het laden en lossen in een zaal moet omgaan. Architecten hebben nog nooit zo’n gebouw gemaakt en de gemeente ook niet. Daarom heb je een gedreven figuur nodig, een motor; dat ben ik geweest.’ Maar formeel was de gemeente opdrachtgever. Werd er wel naar u geluisterd? ‘Ik was de gebruiker. Heb ik niets mee, met die term. Dan denk ik aan alcohol en drugs en daar heb je alleen maar last van. En dat heb ik ze ook de hele tijd voorgehouden: dat gebruikers heel lastig kunnen zijn. Want ik heb er wel bovenop gezeten. Er waren heel veel momenten tijdens het bouwproces dat ik het niet met ze eens was en ik lastig moest zijn.’ Niet té lastig? ‘Ik moest wel: het ging mij om die zaal en daarbij had ik een heleboel partijen uit de muziekwereld achter mij. Bovendien heb ik verstand van concertzalen omdat ik er als hoornist jaren heb gespeeld. Maar ik was een buitenstaander in het bouwproces: ik zat niet in hun denkproces. Zo kreeg ik de rol van onberekenbare lastpak. Op een goed moment kwamen er nieuwe tekeningen waarop alle kleedkamers waren verdwenen. Die waren geclusterd en ergens bovenin het gebouw ondergebracht. Uiteindelijk is een gebruikersoverleg geïntroduceerd om veranderingen eerst met ons door te spreken en dan pas in projectteam.’ Daarna kon er niets meer misgaan. ‘Nou… Het gekke is dat dit gebouw van buiten naar binnen is gebouwd. Helemaal fout. Het gaat om de concertzaal, daar moet je mee beginnen. Maar ze hadden het eerst over dak, gevel, buitenkant, de hal. Toen die volgorde eenmaal was vastgesteld, heb ik precies de ruimte en de maten voor de zaal afgebakend. Na twee jaar ontwerpen waren we eindelijk aan de zaal toe. Goed, dan beginnen we met de kelder, zei ik, terwijl ik allang op de tekeningen had gezien dat die was geschrapt. Maar ik wilde een houten kelder onder het podium. Toen kreeg ik een conflict met de projectleiding. Het werd mij kwalijk genomen dat ik achteraf met allerlei eisen kwam aanzetten. Maar uiteindelijk heeft men het geaccepteerd, want ik had gewoon gelijk.’ Waar had u nog meer gelijk in? ‘De akoestiek. Ik vroeg de mensen van de akoestiek waarom ze altijd van die lelijke eierrekken in een concertzaal gebruiken. Tja, zeiden ze, we worden er altijd te laat bijgehaald. Waar het om gaat is dat je altijd het volume moet kunnen beïnvloeden. Dat is een natuurwet. Dat betekent een zaal met daarboven een volume dat je kunt instellen, met een beweegbaar plafond. Toen viel er bij mij een kwartje. Technici willen altijd overal kunnen komen. Vandaar dat je altijd boven een podium van die loopbruggen en stellages ziet. Daarom heb ik een lopend plafond voorgesteld.’ Hebt u nooit hoofdpijn gekregen van het bouwproces? ‘Nou en of. Het is een verschrikkelijke periode geweest. Frustrerend. Maar ja, iemand moest zo gek zijn om het te doen. Nu heb ik er ontzettend veel plezier van dat het gelukt is.’ U bent nu 65. Hebt u overwogen om te stoppen na de opening? ‘Nee hoor. Het gaat niet om mij maar om die zaal. En voor mij bestaat die zaal al heel lang. Ik ben nu met de programmering van 2009 bezig. Dat hier het orkest van de 18de eeuw speelt; daar word ik opgewonden van. En hoe afgepeigerd ik soms ook ben, ik geniet er elke keer opnieuw van dat het zo goed klinkt in die zaal.’[ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
