Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



Interview Adri Duivesteijn
Interview Adri Duivesteijn

Interview Adri Duivesteijn


datum plaatsing

11 november 2006

medium

BladNA

auteur

Diederik Samwel


‘Ik ben geschokt over de marginale rol van architecten’

Onlangs verruilde Adri Duivesteijn zijn zetel in de Tweede Kamer voor een stoel als wethouder in Almere. Daar kan hij pas echt zijn idealen in praktijk brengen. Duivesteijn wil integrale structuren ontwikkelen met een forse inbreng van stedebouwers en architecten. Particulier opdrachtgeverschap is volgens hem een prima middel om fundamenteel op een andere bouwcultuur over te stappen.

Hoe is met het decentraliseren van het overheidsbeleid op het gebied van ruimtelijke kwaliteit?


‘De gebiedsgewijze aanpak binnen de Randstad, zoals die zich de afgelopen jaren manifesteert, vind ik een goede zaak. De opsplitsing in een Noord- en Zuidvleugel en het Groene Hart. Het gebeurt alleen nog te halfslachtig. Het is veel meer een bestuurders- en onderhandelingsplanologie dan een conceptueel idee van de ruimtelijke kwaliteit. Het leidt tot gigantische wethoudersconferenties. Echt integraal greep op de gebiedsontwikkelingen hebben we nog niet. De Bloemendalerpolder is daar een mooi voorbeeld van: de ene helft blijft groen, de andere helft wordt verstedelijkt. Dat is gewoon handjeklap.’

Hoe zou het dan wel moeten?

‘Echte gebiedsontwikkeling kan alleen op basis van een structuurvisie, opgesteld door vakmensen. Door stedebouwers, architecten, verkeersdeskundigen. Nu is het nog te veel een optelsom van afzonderlijke individuele wensen van departementen. Al snel gaat hele debat over A6, A9 of een stroomlijnvariant, terwijl dat naar mijn gevoel niet de kernvraag is. Die is hoe je het gebied in totaliteit het best kunt laten functioneren. Ik kies voor de traditionele aanpak, een integratiekader met daarin de legitimatie van de afzonderlijke maatregelen. Nu vinden we die maatregelen belangrijker dan het ruimtelijke ordeningskader.’

Wie mogen bij u aan tafel schuiven om ruimtelijke plannen te maken?

‘Zodra de bestuurders hun doelstellingen hebben geformuleerd, kunnen de deskundigen aan het werk. Ik geloof meer in werkateliers dan in bestuurderstafels. Toen ik hier begon, schrok ik van het aantal gesprekken met programmamanagers en projectdirecteuren. Ik ontmoette maar heel spaarzaam stedebouwers of architecten. Die enorme verschuiving naar proces en tijd betekent niet dat automatisch de kwaliteit gewaarborgd is. Zelf kom ik uit de school dat stedebouw nog belangrijk was. Ik zou het belangrijk vinden wanneer we kans zien de gebiedsgewijze aanpak vast te houden en indringend te koppelen aan de inbreng van experts.’

Hoe ziet Almere eruit over dertig jaar?


‘Dat is een ander verhaal. Hoe gaat Almere met haar groei om, met de schaalsprong? Kijk naar Kopenhagen en Malmö, daar zijn spectaculaire ontwikkelingen in gang gezet. Die situatie is vergelijkbaar met Almere en Amsterdam. Tja, de ambities zijn stapelhoog, ik zit hier natuurlijk niet voor niets. Anders had ik net zo goed in Den Haag kunnen blijven.’

Wat merkt u nu van de invloed vanuit Den Haag?


‘Den Haag wil 60 duizend woningen erbij in Almere. Maar wat betekent dat dan? Krijgen we een hele stad cadeau met alles erop en eraan? Daar hoort veel meer bij. Dat is voor mij reden het structuurplan uit 1988 te vernieuwen. Hoe ziet de stad eruit in 2030? Met de kuststrook en het binnengebied hebben we een spectaculair gebied. De brug naar Amsterdam die we hebben gepland is op zichzelf al sensationeel. Blijft de A6 een rijksweg of ga je daar misschien een stadsboulevard van maken? Onze stadsbouwmeester Francine Houben heeft studie gedaan naar de kustlijn. Aan de oostkant willen we op zoek naar organische stedebouw. Hoe kan een stad primair gemaakt worden door mensen en niet door institutionele partijen? Daar horen andere verkavelingsvormen bij. Dat lijkt mij sensationeel: een kavel kopen in een kavelwinkel, waar je hetzelfde jaar nog je eigen woning kunt bouwen.’

Toch moet u rekening houden met het nationale beleid.


‘Almere moet de verbijzondering worden van het overheidsbeleid. Waarbij ik wel moet toegeven dat we hier geluk hebben met een geologisch zelfstandig gebied. In Amstelveen, Muiden of Diemen kun je als wethouder niet eens nadenken over wat je zou willen; daar wil iedere buurgemeente kunnen meebeslissen. Ik denk eerlijk gezegd ook niet dat een andere gemeente een vanzelfsprekende keuze voor mij zou zijn geweest. Dit is een exclusieve situatie om idealen waar te maken.’

Heeft dat ook een rol gespeeld bij uw vertrek uit Den Haag?

‘Almere is alleen op mijn pad gekomen omdat ze mij gevraagd hebben. Ik heb dat geen seconde zelf bedacht. Maar toen de vraag gesteld werd…, tja, je bent wel gek als je dat laat lopen. Overal waar ik in het debat over ruimtelijke ordening voor sta, kan ik hier in praktijk brengen: integrale gebiedsontwikkeling, anticonfectie, particulier opdrachtgeverschap. Als zich ergens de mogelijkheid voordoet te bewijzen dat het anders kan, is het hier wel.’

Is het gemeentelijk apparaat wel toereikend voor alle ambities?

‘Veel gemeentebesturen willen graag met marktpartijen aan de slag. Omdat die vaak de grond hebben en omdat lokale bestuurders steeds minder nadrukkelijk een eigen opvatting hebben. Met de opkomst van de markt is een enorme braindrain in gang gezet van goede ambtenaren naar projectontwikkelaars en woningcorporaties. Gemeenten moeten steeds meer kennis van buiten inhuren. Dat is niet goed. Het eigen apparaat dient inhoudelijk sterk te zijn en van daaruit kun je kwaliteit organiseren.’

In IJburg is het verkavelen en combineren van architectuurstijlen nog niet uit de verf gekomen. Gaat u het anders aanpakken?

‘Ik vind niet dat het daar is mislukt. De particuliere woningbouw op Steigereiland is volop in ontwikkeling. Ieder huis dat daar wordt gebouwd is goed en interessant. Het project dat daar tegenover staat, steekt er schril bij af: consumentgericht bouwen. De gemeente had daar langer moeten wachten en niet snel het gebied moeten invullen omdat er tijdelijk een dip in de markt was.’

Zo ver laat u het niet komen.

‘Voor zover je dat kunt vergelijken. Afhankelijk van de locatie kost de grond hier gemiddeld 240 euro per meter en geen duizend. Bovendien is het grotendeels eigendom van de gemeente. In Almere Poort willen we een nieuwe staalkaart maken voor consumentgericht bouwen en individueel opdrachtgeverschap. Daar komen 2600 woningen, waarvan duizend door ontwikkelaars worden neergezet en de rest in particulier opdrachtgeverschap, zowel collectief als individueel. Belangrijk is dat er een ontwikkeling komt van woonconsument naar woonproducent. De toekomstige bewoner komt niet pas aan bod bij het eindproduct maar investeert van begin af aan. Dan krijgen we meer dan alleen façade- en confectiebouw en geen vergelijkbare woningen waarvan alleen de gevel een beetje anders is. Zo krijg je een heel andere stad.’

Vanwaar die behoefte aan een andere stad?


‘Ik vind dat we een debat op gang moeten brengen over de huidige woningbouw. Blijven we doorgaan zoals de laatste jaren met Vinex? Of moeten we fundamenteel naar een andere bouwcultuur? Iedere bestuurder moet ervan doordrongen zijn dat de bouwcultuur van de laatste tien jaar is gemarginaliseerd. Het is verworden tot een standaardproces. Ik ben ook geschokt over de marginale rol van architecten. Ook over hun aanpasbaarheid, want die is kennelijk groot. De sector ziet het helaas zelf nauwelijks als een probleem. Alleen in de utiliteit zijn nog vrije opdrachten. Waar zijn nog architecten die trots een stadsvernieuwingsproject presenteren met zestig verschillende typen woningen? Bij 80 procent van de nieuwe eengezinswoningen van de afgelopen tien jaar zijn ze op één hand te tellen. Dus is er iets verschrikkelijk misgegaan. Het leuke van individueel opdrachtgeverschap is dat je één op één een andere woning krijgt. Dat levert een ongelooflijke rijkdom op.’

Is dat niet alleen weggelegd voor een toplaag?

‘Wat is daar mis mee? Wat vandaag top is, daar woont straks de middenklasse in. Uit onderzoek blijkt dat wanneer mensen zelf bouwen, hun huis twintig tot veertig procent meer waard wordt dan wat ze er zelf in hebben gestoken. Dus het rendeert ook nog een keer. Daarnaast moet het veertig jaar mee kunnen. Particulier opdrachtgeverschap is niet om te bereiken dat iedereen individueel gelukkig wordt. Maar dat je fundamenteel een andere stad maakt. Een middel, geen doel. Iedereen heeft een fantasie over zijn eigen woning, maar we zijn niet gewend die ook te realiseren. Ik vergeet nooit wat Heerma (oud-staatssecretaris Volkshuisvesting, DS) mij daarover vertelde. Hij zei dat je in Nederland overal over kunt beslissen: vak, werk, partner, kinderen; behalve over je eigen woning. Op dat gebied wordt er voor je gedacht. De instituties hier maken uit hoe je woont.’

Extra woningen in Almere zijn leuk maar zolang iedereen in Amsterdam werkt, gaat de discussie toch weer over die hangbrug.

‘Daarom is die integrale structuurvisie zo belangrijk. Het gaat niet om een brug maar om de metrolijn die we zouden willen doortrekken vanuit de Utrechtsestraat in Amsterdam naar het centrum van Almere. We hebben te maken met de verwevenheid van een stedelijk gebied en dat moeten we organisch met elkaar verbinden. Dat had allang besproken moeten worden. Die achterstand voorkom je met netwerkconcepten waarin je interacties tussen gebieden in kaart brengt. Dat is het grote probleem met het huidige verkeers- en vervoersbeleid. Telkens enkelvoudige verkeersoplossingen. Het denken in blauwdrukken van vroeger mag niet meer. Maar daarmee hebben we ook het conceptuele denken weggegooid. Er wordt alleen gedacht in termen van A naar B, zoals Verkeer en Waterstaat het zegt. Maar zo denken mensen helemaal niet. Veel mensen wonen in Almere omdat de een in Amsterdam werkt en de ander in Utrecht en dit is dan de beste strategische plek als je Het Gooi niet kunt betalen.’
[ < terug ]

aanverwante artikelen: