De boekenkast van Philip Akkerman |
|
datum plaatsing |
November 2007 |
medium |
Kunstbeeld |
auteur |
Sandra Jongenelen |
Een Duitse filosoof en twee Nederlandse schrijvers spelen een belangrijke rol in het leven van Philip Akkerman: Arthur Schopenhauer, Louis Couperus en Gerard Reve. Op de middelbare school vond de kunstenaar lezen maar een ‘achterlijke’ bezigheid. Maar nadat hij op de kunstacademie Op weg naar het einde onder ogen kreeg, wist Reve die ‘bloedhekel’ aan literatuur op te heffen. Hoewel literatuur? Dat boek is eigenlijk een soort egodocument, waarbij Akkerman zich ‘rot lachte’. Zijn bewondering gaat ook uit naar de stilistische kwaliteiten van de volksschrijver, een eigenschap die hij in de beeldende kunst doorslaggevend noemt. ‘Het maakt niet uit of iemand een naakte vrouw of een landschap schildert. Het moet goed zijn.’ Op eenzelfde manier geniet hij van Couperus. ‘Lees je Babel of De Berg van Licht dan is iedere zin mooi. De negentiende-eeuwse Haagse dandy begon als dichter en bedacht als een soort tovenaar tal van woorden. ‘Daarmee doet hij denken aan de schilders van het maniërisme, die hun krankzinnige werk eveneens aan hun fantasie ontleenden.’ Op tafel in het atelier ligt Prag um 1600 opengeslagen – een kloeke catalogus met kunst rondom het hof van Rudolf II – waaruit blijkt wat hij bedoelt. Te zien zijn ‘volkomen gestoorde’ beelden van landschappen en figuren, waaronder een volledig ontkleedde vrouw met een duivel aan haar zijde. Akkerman schafte het boek onlangs aan bij een boekenmarkthandelaar en gaat het in december cadeau geven aan een vriend, hoewel hij het zelf graag zou behouden. Aan de rand van de tafel staat een rijtje boeken met als blikvanger Der Handschriftliche Nachlaß in fünf Banden van Schopenhauer, dat Akkerman via dezelfde handelaar verwierf. In de vijf banden die onder andere de jeugdgedachtes van de Duitse filosoof bevatten, herkent de kunstenaar zijn eigen werk. ‘‘Het is het belangrijkste dat een mens zichzelf ziet’, las ik zojuist. Dan denk ik: Hij is het met me eens.’ In hetzelfde rijtje staat ook werk van Reve, die hem op het pad bracht van Schopenhauer. Aanvankelijk vreesde Akkerman dat het gedachtegoed van de Duitse wijsgeer hem boven de pet zou gaan, maar nadat hij in een Zwitsers antiquariaat een besnot werk had aangeschaft, bleek het tegendeel het geval. Heb je iets belangrijkst te zeggen, leg het dan zo goed mogelijk uit, was Schopenhauers credo, die daarmee sneerde naar zijn ontoegankelijke tijdgenoot Hegel. Een verdieping hoger is een muur van de kamer en suite geheel met boekenbehang beplakt, een ontwerp van modekoning Karl Lagerfeld. In de andere ruimte torsen de planken van de boekenkast het verzameld werk van Couperus, circa vijftig boeken. Enkele antiquarische exemplaren die de schrijver ‘zelf heeft gezien’ houdt Akkkerman graag in het atelier. Iets vergelijkbaars geldt voor Reve, die op de eerste verdieping ongeveer een meter plankruimte in beslag neemt en in het atelier met Een circusjongen is vertegenwoordigd. Rond de grijze reeks van Couperus in het midden van de kast, wonen de kunstboeken van De Chirico, Van Heemskerck, Rubens en Van Gogh. Een plankje is geheel gewijd aan zelfportretten, die overigens geen bijzondere inspiratiebron vormen. ‘Ik houd van mooie schilderijen, ongeacht het onderwerp.’ Het belangrijkste exemplaar draagt de titel 2314 en bevat het werk van Akkerman zelf. ‘Dat is natuurlijk het mooiste boek, waar ik apetrots op ben. Het is mijn levenswerk tot en met 2005, hoewel er zeker nog vijfentwintig jaar zal bijkomen.’ De uitgave is ook terug te vinden in de boekenkast in het atelier, waar hij prijkt tussen de catalogi van (groeps)tentoonstellingen waar Akkerman zelf aan deelnam. Een rij lager is het domein van de techniek. Daar huist onder andere het beroemde Schilderkunst, materiaal en techniek van Doerner, waar kunstenaars als Pyke Koch en Carel Willink aan het begin van de vorige eeuw hun technische kennis uit haalden. Akkerman zou het niet aanraden. ‘Maak je kwast niet nat. Je moet ze natmaken’, staat er bijvoorbeeld. Abacadabra, hoewel dat ook aan de Nederlandse vertaling kan liggen.’ Wie zich de kennis van de schilders van de Renaissance en de Gouden Eeuw wil eigen maken, verwijst hij naar Kurt Wehlte, een leerling van Doerner. De techniek uit de zestiende- en zeventiende eeuw maakt Akkerman vrij. ‘Kijk je naar de Middeleeuwen dan is dat een starre en saaie periode. Wat de ambachtslieden schilderden, lag vast. Doordat nu alle regels zijn verdwenen, zie je het complete tegendeel, maar dat maakt de hedendaagse kunst voor mij net zo saai. ‘De mooiste kunst ontstaat pas als techniek en vrijheid elkaar ontmoeten. Dat levert ook meer variatie op dan nu het geval is. Rembrandt, Vermeer en Rubens verschillen onderling enorm. Je hebt regels nodig om de individuele vrijheid te verkrijgen, hoe paradoxaal dat misschien ook mag klinken.’
[ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
