Hij heeft besloten geen korte radio-interviews meer te doen. Zijn boodschap is te genuanceerd voor oneliners en eendimensionale uitspraken. Voor je het weet gaat het nergens meer over, is zijn ervaring.
Rutger Wolfson (38) publiceerde afgelopen zomer het essay Het museum als plek voor ideeën, waarin hij constateert dat kunstmusea zijn blijven steken in de negentiende eeuw. Hij betwist hun bestaansrecht niet, maar vindt dat de kunsttempels ook een maatschappelijke rol moeten spelen. Het onderscheid tussen hoge en lage cultuur kan op de helling. Ruim baan voor skaters, vj’s en modeontwerpers. Het museum is voor iedereen.
De herdefiniëring van kunstmusea dient volgens Wolfson ook een ander belang. Want voor je het weet komt de politiek met een definitie en fungeren musea nog louter als aanjager voor de economie. Of erger nog: als instrument voor sociale integratie. Pak je kansen, musea! Straks zwaaien beleidsmakers de scepter.
Op het eerste gezicht klinkt Wolfsons boodschap misschien vaag, maar dat is ook exact de reden waarom hij het snelle radiogesprek schuwt. Zijn visie vergt uitleg. Zijn betoog is glashelder, maar gaat verder dan een opsomming van zijn favoriete automerk en deodorant. Lijstjes zijn sowieso niet zijn ding. Wie hij goede kunstenaars vindt? Vooruit dan maar: Folkert de Jong, Germaine Kruip, Robert Zandvliet, Erik van Lieshout en Krijn de Koning.
De afgelopen maanden werkte Wolfson die eerder de essaybundels Kunst in crisis (2003) en Nieuw Symbolen voor Nederland (2005) publiceerde, onder hoogspanning. Na de verschijning van het essay trad hij in september aan als directeur van het International Film Festival Rotterdam. Die functie combineerde hij met het directeurschap bij De Vleeshal in Middelburg – een kunstcentrum voor hedendaagse kunst – waaraan hij inmiddels zeven jaar is verbonden. Na een studie Kunst- en Cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam was hij eerder in die stad curator bij kunstcentrum Witte de With.
Hij heeft zojuist het festivalprogramma aan de pers gepresenteerd en verontschuldigt zich tijdens het interview als hij de vraag is vergeten. Hij is moe. Nog een paar weken, dan barst het festijn eind januari los.
Het filmfestival kwam min of meer toevallig op zijn pad. Nadat directeur Sandra den Hamer naar het Filmmuseum in Amsterdam was overgestapt, kreeg het bestuur de vacature niet vervuld. Wolfson was bestuurlid en stelde zich tijdelijk beschikbaar. Aanvankelijk wilde hij het festival één editie uit de brand helpen, maar inmiddels beschouwt het bestuur hem als kandidaat. Na afloop van deze 37ste aflevering besluit hij of hij de functie daadwerkelijk ambieert.
Die beslissing hangt mede af van zijn persoonlijke omstandigheden. Dat geldt ook voor andere banen. Graag blijft hij in Rotterdam. ‘Het buitenland’ kwam al eens voorbij, evenals het Groninger Museum, waarvoor hij als 29-jarige in de running was. Hij legde het af tegen Kees van Twist, vanaf volgende maand cultureel attaché in New York.
De afgelopen weken probeerde hij niet te denken aan een definitieve overstap naar de filmwereld. Zijn aandacht richtte zich op de verdere invulling van het festival en de programmering van De Vleeshal. Dit jaar staat onder andere een tentoonstelling over de gereformeerde gemeenschap in Zeeland op de rol. Hoe slagen de gereformeerden er in hun godsbeeld vast te houden in een omgeving van overwegend niet-gelovigen? Als kunstinstelling in Zeeland zit hij graag dicht op de huid van de provincie.
Het project is de opvolger van een tentoonstelling over vrije tijd in Zeeland. De afgelopen jaren ontwikkelden de schiereilanden zich van agrarisch gebied tot ‘het Florida van Nederland’. Langs de kust en in duinpannen verrezen duizenden recreatiewoningen waar de babyboomers na hun vervroegd pensioen permanent recreatief kunnen leven.
De tentoonstelling die dat onderwerp aan de orde stelde, is de vertaling van Wolfsons visie. En daarmee keren we terug naar zijn essay dat later dit jaar eveneens verschijnt in de Engelstalige bundel This is the Flow – The Museum as Space for Ideas.
De kern daarvan is dat het museum zoveel meer kan. Natuurlijk wil hij de traditionele taak – het tonen van kunst – niet om zeep helpen. Maar door het óók open te stellen als plek voor ideeën, kan het er weer toe doen. ‘Wat wij denken’, legt hij uit, ‘wordt voor een groot deel bepaald door de massamedia en in beperktere mate door de wetenschap. De rol van de culturele elite is kleiner geworden. Als museum kun je in dat gat stappen. Het is een plek waar geen verplatting heerst, maar waar je in totale vrijheid de tijd en aandacht kunt nemen om iets van alle kanten te bekijken. Vroeger deed het er toe wat Sartre ergens van vond. Nu doet het er toe wat Wilders zegt. Waar ik voor pleit is dat het museum de maatschappelijke rol die de culturele elite vroeger had, terugclaimt.’
Grote thema’s als immigratie en inburgering lenen zich volgens Wolfson minder voor tentoonstellingen. In het verlengde daarvan vindt hij het ook weinig zinvol zich in de discussie over de foto’s van Sooreh Hera te mengen. Daarop portretteerde de Iraanse kunstenares een homostel dat zich verbergt achter maskers van de profeet Mohammed en zijn schoonzoon Ali.
Ruim een maand geleden verwijderde museumdirecteur Wim van Krimpen het werk uit het Gemeentemuseum Den Haag. Wolfson schaart zich aan zijn zijde. Hij is niet principieel tegen het werk, maar vindt het onnodig provocatief. ‘Het is nodig om homoseksualiteit in de Islamitische wereld ter discussie te stellen. Maar als je dat doet door de profeet Mohammed en zijn zoon als homo af te beelden, hoef je van die discussie niet veel meer te
verwachten. Dat polariseert alleen maar. Daardoor heeft het onbedoeld dezelfde uitwerking als Wilders’ opmerkingen over de islam.’
Aan de hand van eerdere tentoonstellingen in De Vleeshal illustreert Wolfson in het essay waar hij met maatschappelijk betrokken kunst op doelt. Zo is er bijvoorbeeld het project van Ana Maria Tavares, een Braziliaanse kunstenares die met haar installaties de non-places van de openbare ruimte becommentarieert. Met dat soort niet-plekken doelt ze op stations, stadions, vliegvelden en hotellobby’s, die overal ter wereld op elkaar lijken. Of je nou in Singapore of op Schiphol bent, de wachtruimtes verschillen nauwelijks.
‘Heb je dat werk eenmaal gezien, dan herken je dat soort non-places’, zegt Wolfson. ‘Nu merk ik op welke manier ze een gevoel van luxe en vertrouwdheid willen oproepen. Soms snap je zoiets na het lezen van een boek. In dit geval zorgt de kunst ervoor dat je iets meer van de wereld begrijpt.’
Iets vergelijkbaar geldt voor het project over de verleidingskracht van mode. ‘Besteden musea aandacht aan mode dan krijg je tentoonstellingen met kledingstukken, meestal georganiseerd door de kunstnijverheidsafdeling. Maar mode staat voor zoveel meer, ook voor advertenties, shows, modellen. Dat alles maakt het juist zo interessant.’
Om die wereld te verbeelden gaf hij een aantal toonaangevende modemensen de mogelijkheid om De Vleeshal te verbouwen tot luxe kledingzaak. Het publiek werd er ontvangen door zorgvuldig geïnstrueerd, aantrekkelijk en speciaal gekleed winkelpersoneel, waarmee de tentoonstelling liet zien wat mode ook is: een ervaring, verleiding en een roes.
Behalve modeontwerpers haalde Wolfson Geert Mul binnen, destijds videojockey (vj) die plaatjes maakt bij de muziek van dj’s. Mul heeft een diploma van de kunstacademie op zak. Maar doordat hij in het clubcircuit werkte, was het uiteindelijk de horecaondernemer die zijn artistieke vrijheid bepaalde. De drankomzet dicteerde. Mede daarom vindt hij het museum aantrekkelijk. Daar domineren – als het goed is tenminste – vrijheid en reflectie in plaats van omzetcijfers.
Om vrijheid draait het ook bij één van de meest verregaande projecten uit De Vleeshalgeschiedenis; die over de straatcultuur van skaters. De tentoonstelling bood een kijkje in de creatieve keuken van het ontwerpteam van de Amerikaanse Girl Skateboard Company. Dat bedacht een serie nieuwe skateboards, die in productie werd genomen en te koop waren.
Maar ook voor andere niet-beeldend kunstenaars kan het museum interessant zijn, stelt Wolfson. Choreografen en muzikanten kunnen er bijvoorbeeld ontsnappen aan een uitvoering met een begin en einde, of het format van een cd-uitgave. In dat kader vroeg hij choreografe Krisztina de Châtel een dans te maken. Tijdens de tentoonstellingsuren kon iedereen de passen instuderen. De scheiding tussen dansers en publiek was verdwenen.
Het helder geschreven essay bevat legio voorbeelden van kunstprojecten ‘die er toe doen’. Maar het is de vraag of het publiek daarop zit te wachten. Krijg je mensen wel warm voor dit soort geëngageerde kunst? Kijken ze niet liever naar een schilderij? ‘Natuurlijk moeten er ook zulk soort tentoonstellingen zijn’, reageert Wolfson. ‘Als kind was ik gefascineerd door de abstracte werken van Piet Mondriaan in het Gemeentemuseum Den Haag.
‘Zonder verder iets van zijn werk te weten, voelde ik zijn verlangen om met niet meer dan heldere kleuren en eenvoudige composities een mystieke ervaring op te roepen. Zo’n ervaring is uniek voor het museum. Maar musea kunnen zich daar niet langer uitsluitend op beroepen. De tijd verlangt dat de ambities van musea boven het niveau van individuele ervaringen uitstijgen – hoe bijzonder en belangrijk die ook zijn.’
Wolfsons pleidooi is niet bedoeld als knieval voor publiek. Het gaat er niet om gillend meer mensen te trekken, zegt hij. Hij merkt dat de kunstwereld zich achter de hoge bezoekcijfers probeert te verschuilen. ‘Dan hoor je: Het gaat nu toch goed? Er zijn mooie tentoonstellingen en relatief veel bezoekers. Wat is het probleem? Op mijn beurt zeg ik: als je kunst belangrijk vindt, dan wil je ook dat kunst een zo groot mogelijke rol speelt. Het gaat niet om een probleem, maar om het tonen van ambitie. Wat dat betreft heb ik een positief verhaal.’
Dankzij de media-aandacht voor het essay wist Wolfson een groot aantal mensen buiten de kunstwereld te bereiken. Die snappen wat hij bedoelt en reageren positief. Vanuit de kunstwereld bleef het stil. ‘Daar is men heel defensief. Probeer je een discussie aan te zwengelen dan is de conclusie al snel dat je niet integer bent. Je wordt met een verborgen agenda weggezet; alsof ik uit ben op een glanzende carrière ten koste van de kunst.’
Hij is ervan overtuigd dat hij het gelijk aan zijn zijde heeft. Voorzichtig oppert hij dat hij te vroeg is met zijn boodschap. ‘De wereld verandert en iedereen verandert mee. Zo simpel is het. Kijk naar bedrijven. Akzo Nobel was eerst een verffabriek en ging medicijnen maken. Nokia was een touwslagerij en zit nu in de telecom. De maatschappij ontwikkelt zich en dus moet je mee.’
Wie dat veranderingsproces volgens Wolfson tijdig oppikten, zijn de musea voor land- en volkenkunde. ‘Vroeger waren dat vooral plekken voor gedroogde schatten en rijen opgeprikte vlinders. Daarna transformeerden ze in wereldmusea met informatie over culturen ver weg. Tegenwoordig houden ze zich bezig met verschillende culturen om de hoek. Hetzelfde geldt voor architectuurmusea. Die gingen van uitstalkasten met maquettes op in centra voor urbanisatievraagstukken. Beiden zagen de ontwikkelingen en pasten zich aan. Nu de musea voor moderne kunst nog.’
Het International Film Festival Rotterdam – van 23 januari tot 3 februari – biedt jaarlijks een selectie uit de internationale veelal experimentele cinema. Deze editie ligt de nadruk op Free Radicals, filmmakers en kunstenaars die ‘eigenzinnig en energiek’ een eigen koers varen. Te zien in Centrum Beeldende Kunst TENT.: 3Radicals met Paul Sharits, Robert Breer en Cameron Jamie.
Het voormalige pand van het Fotomuseum biedt ruimte aan de tentoonstelling New Dragon Inns met Wang Bing (China), Tsai Ming-liang (Taiwan) en Apichatpong Weerasethakul (Thailand).
Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.