Eindelijk debat over Second Opinion |
|
datum plaatsing |
01-11-2007 |
medium |
Kunstbeeld |
auteur |
Sandra Jongenelen |
Het had zo mooi kunnen zijn. Na de publicatie begin dit jaar van de bundel Second Opinion, waarin het subsidiestelsel in de beeldende kunst onder de loep wordt genomen, bleef het stil in Nederland. Natuurlijk was er de protestbrief van inmiddels bijna vierhonderd kunstenaars, die menen dat het boek de indruk wekt dat Nederlandse kunstenaars zich als een ‘lui varken rondwentelen in een warm bad van subsidies’. Maar tot een daadwerkelijke debat kwam het niet. Begin oktober was het dan eindelijk zo ver. Op uitnodiging van de Mondriaan Stichting en het Fonds BKVB – tevens initiatiefnemers van de publicatie – vond in Theater van ’t Woord in Amsterdam een openbaar debat plaats. Het aantal aanmeldingen overtrof de capaciteit van de zaal, die voor een groot deel was gevuld met kunstenaars. Op het initiatief viel niets af te dingen, de gasten zagen er op papier goed uit, maar tot een inhoudelijke gedachtewisseling kwam het helaas niet. Zoals de bundel van onderwerp naar onderwerp waaiert, zo verdedigden de meeste sprekers hun eigen stokpaardjes en werd het een avond vol losse eindjes. Het programma met zo’n vijftien genodigden was voor een werkelijke dialoog te ambitieus. Maar er waren ook pluspunten. Er leek overeenstemming over het huidige subsidiesysteem: niet zaligmakend en toe aan revisie. Veel mensen wezen daarnaast op de gapende kloof tussen kunst en publiek, volgens Bart De Baere – directeur van het Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen – de kern van de malaise. Iets vergelijkbaars vond ook Arno van Roosmalen, directeur van het Haagse kunstcentrum Stroom. ‘Beeldende kunst krijgt steeds meer het karakter van folklore.’ ‘Doordat kunstenaars hun positie in de maatschappij niet claimen, lopen wij achter het fonds aan in plaats van het fonds achter ons’, meende Jonas Staal. Maar op de vraag hoe dat te keren, bleef de kunstenaar het antwoord schuldig. ‘Ik ben geen beleidsmaker. Ik maak kunst, waardoor jij zin krijgt om beleid te maken.’ De avond verliep aan de hand van twee stellingen die aan Second Opinion ontleend waren. Als eerste onderschreef directeur Lex ter Braak van het Fonds BKVB de opvatting dat niet langer ‘zoveel mogelijk kunstenaars een beetje maar wat minder kunstenaars wat meer’ geld moeten krijgen. Hij wees erop dat de ‘pure rijkdom’ van bij elkaar tachtig miljoen euro voor de beeldende kunst in de praktijk leidt tot schraalheid bij instellingen, een weinig internationaal tentoonstellingsbeleid en relatief kleine aankoopbudgetten. Tel daarbij de afwezigheid van de beeldende kunst in het publieke debat en het geringe inkomen van kunstenaars op en het negatieve beeld is compleet. De versnipperde aanpak van de overheid leidt volgens Ter Braak tot middelmatigheid en pappen en nathouden. Omdat meer geld gezien de politiek-maatschappelijke verhoudingen onrealistisch is, moet de oplossing vanuit de kunst komen. Ofwel: meer subsidie naar een beperkter aantal kunstenaars. Volgens verwachting verwezen de aanwezigen kunstenaars de stelling naar de mesthoop, onder andere omdat het huidige systeem volgens hen goed functioneert en dient als katalysator en keurmerk. Ann Demeester, directeur van kunstcentrum De Appel, schaarde zich wel achter de stelling, vanuit de gedachte dat een instelling altijd scherpe keuzes moet maken. Maar ze waarschuwde voor de onderbuikdiscussie en pleitte voor cijfermateriaal. Een deel van de zaal vond dat ook. Op basis waarvan kan je nu een mening vormen? Fotograaf Hans Aarsman kwam met een vergelijking van de commerciële en publieke omroep, waarbij die laatste steeds meer richting commercie wordt gedreven. ‘Pas op dat we die kant niet op gaan en houd sterk wat sterk is.’ Als directeur van de Mondriaan Stichting hield Gitta Luiten een pleidooi voor de komst van een honorarium- en productiebudget, omdat het beschamend is dat kunstenaars niet gewoon betaald krijgen voor hun deelname aan tentoonstellingen. Die subsidie zou moeten terechtkomen bij musea en andere instellingen. Je zou verwachten dat tentoonstellingsmakers deze tweede stelling omarmen, maar niets was minder waar. Demeester noemde hem zeer betuttelend. ‘Alsof een vader zakgeld geeft aan zijn oudste zoon en zegt dat hij het moet delen met zijn kleine broertje.’ Natuurlijk wil ze kunstenaars ‘dolgraag’ een honorarium geven, maar op deze manier is het volgens haar een schijnoplossing. De Baere waarschuwde voor het monster dat kunstinstellingen zijn. ‘Vertrouw ons niet. Hoe goed en oprecht we ook zijn, we willen overleven en zien onszelf graag als doel op zich. Daarbij eten we graag veel. Deze oplossing lijkt op een koets die auto wordt, maar eigenlijk koets blijft.’ Kunsthaldirecteur Wim Pijpes riep vervolgens op de stelling te negeren en naar de vraag te kijken. ‘We hebben in Nederland tienduizend professionele kunstenaars en honderdduizend euromiljonairs. Hoe krijg je die met elkaar in contact? Wij kunnen daar een scharnierfunctie bij vervullen.’ Om de noden bij de museale aankoopbudgetten te verlichten, toverde hij een revolutionaire methode uit de hoed. ‘Presenteer je goede kunstenaars vraag dan of het misschien aardig is als ze iets achterlaten.’ Bij collegadirecteur Ann Demeester viel zijn advies niet in goede aarde. ‘Mijn leermeester Jan Hoet deed dit al. Het is geen structurele oplossing, maar pure liefdadigheid van de kunstenaar.’ www.kunstsubsidiedebat.nl [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
