Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



Atlantis in de Waddenzee
Atlantis in de Waddenzee

Atlantis in de Waddenzee


datum plaatsing

26-05-2006

medium

NRC Handelsblad

auteur

Karin de Mik


Ruim vier eeuwen lang lag het waddeneiland Bosch voor de kust van Groningen. De vier kilometer lange strook met helmgras en duinen bevond zich tussen 1300 en 1717, toen het definitief onder de zeespiegel verdween, tussen het huidige Schiermonnikoog en Rottumeroog.

Museumconsulent Yvonne Nijlunsing uit het Groningse Den Andel ontdekte het eilandje een paar jaar geleden op een oude landkaart uit 1568. Ze had er nooit van gehoord en het prikkelde haar verbeelding. Wie woonden er, wie waren de eigenaren, waarom is het verdwenen? Fragmentarische kennis was er wel, maar die was alleen bekend bij een kleine groep geïnteresseerden.

Het eiland Bosch (dat overigens niet verwijst naar bos, maar Indogermaans is voor uitbreiding, een plaat die uit zee groeit) is een pilotproject en vormt de aanzet van nader onderzoek door een groep Nederlandse en Duitse onderzoekers naar verdwenen Waddeneilanden als het Duitse Buise en Heffesant.

In Museum Het Hooge Land in het Groningse Warffum werd deze week een tentoonstelling geopend, die het verhaal van Bosch met zijn wisselende gebiedsgrootte en bezitsverhoudingen vertelt en in beeld brengt.

Uit landkaarten en eigendomsstukken blijkt dat Bosch moet zijn ontstaan rond 1300. Toen ook was het op zijn grootst. Het zeegat Lauwers, tussen Bosch en Schiermonnikoog, voedde het eiland met zand. Vaststaat dat de grootste stormvloed uit de Nederlandse geschiedenis, de Allerheiligenvloed van 1570, Bosch overspoelde en voor een groot deel opslokte. Toch was het niet gedaan met het eilandje. Na 1588 ontstond opnieuw duinvorming, al bleef het een zandplaat. Maar de kenmerkende dynamiek van de Waddenzee pakte voordelig uit voor Bosch. Na 1640 voerden de geulen van de Lauwers meer zand aan en kwam Bosch weer boven water te liggen. Maar de grote overstroming van 1717, de Kerstvloed, maakte een einde aan Bosch, al staat het in 1745 nog wel als hoge zandplaat afgebeeld op een kaart met als vermelding ,,Plaat alwaar het eijland Bos gelegen heeft.’’

Tussen 1530 en 1717 had Bosch diverse eigenaren, die er zelf overigens niet woonden. De eerste waren de monniken van de strenge en sobere Cisterciënzerorde van het klooster in Aduard. Strandvond (aangespoelde goederen en wrakstukken) was vermoedelijk hun inkomstenbron. In 1530 schonk de abt de helft van het eilandje aan Geert Lewe, telg uit een Gronings adellijk geslacht. Hij stelde een strandvoogd aan die met zijn gezin op het onbewoonde eiland neerstreek. De voogd tekende een contract voor een jaar. Zijn salaris bedroeg 40 gulden en een kwart ton boter per jaar, meldt een processtuk uit 1646.

Het andere eilanddeel werd in 1551 opgeëist door de nieuwe landsheer van Groningen, Karel V. Mogelijk wilde hij de vaarroutes controleren of de piraterij op de Waddenzee, die in die tijd welig tierde, aanpakken. De Groningse geschiedschrijver Ubbo Emmius noemde Bosch een uitvalsbasis van piraten. In 1636 moest strandvoogd Harmen Roeleffs op Rottumeroog gaan wonen, omdat Bosch zelf te klein was. Op 11 februari 1643 meldt hij dat er op Bosch twee pakken goederen zijn aangespoeld. Onder militaire begeleiding worden ze naar Groningen vervoerd en geopend: er blijkt zijde in te zitten. De eigenaren, Gedeputeerde Staten van Stad en Ommelanden en kinderen van heer Lewe, willen de waar verkopen. Maar een groep Amsterdamse kooplieden eist de zijde op als zijnde de rechtmatige eigenaar van de zijde! Nummers en handelsmerken komen echter niet overeen, zodat de zijde alsnog te koop kon worden aangeboden.



[ < terug ]

aanverwante artikelen: