Jager en prooi zakken door het ijs |
|
datum plaatsing |
21 november 2009 |
medium |
|
auteur |
Petra Sjouwerman |
Inwoners van de nederzetting Tiniteqilaaq in Oost-Groenland merken dat hun leefomgeving verandert door stijgende temperaturen. Beroepsjagers moeten op zoek naar ander werk. Maar er komen ook meer toeristen. En de vissen zijn groter. ’Ik heb geen thermometer, maar ik kan voelen dat het warmer is”, zegt Augo Kristiansen, inwoner van Tiniteqilaaq, een nederzetting in Oost-Groenland met 140 inwoners. Het is half september en hij loopt nog buiten in een T-shirt met korte mouwen. Aan zijn gespierde lichaam en sterke armen is te zien dat deze veertiger jarenlang beroepsjager is geweest. De vele zeehonden, walvissen en narwals die hij in de loop der tijd heeft gevangen, hebben van hem een gerespecteerd man gemaakt. In dit dorpje vormt het vlees van deze zeezoogdieren, samen met vis, nog steeds het hoofdbestanddeel van de voeding. En ook al zijn westerse producten als chips en cola hier erg populair, toch gaat er niets boven een vers stuk mattaq, rauwe walvishuid met spek. Sinds vorig jaar heeft Kristiansen een vaste baan als beheerder van de wasserette annex badhuis, de enige plek in het dorp met stromend water. „Het lukte me niet meer om genoeg geld te verdienen als jager”, vertelt hij op het balkon van de wasserette, met uitzicht op de Sermilik-fjord waar statige ijsbergen in alle vormen en maten langs drijven. Het voortbestaan van de traditionele leefwijze van de Inuit staat al enkele jaren onder druk door de lage prijzen voor zeehondenbont. Het lijkt erop dat de klimaatveranderingen de nekslag betekenen voor deze kwetsbare inheemse groep, want het veranderende klimaat maakt de jacht gevaarlijker, moeilijker en tijdrovender. Daar is iedereen het over eens in dit dorp, de fulltime jagers en zij die jagen om hun inkomen en hun menu aan te vullen. In Groenland, dat ruim vijftig keer zo groot is als Nederland maar slechts 56.600 inwoners telt, hebben koude en warme jaren elkaar altijd afgewisseld. Maar de laatste tien jaar is er sprake van meer warme dan koude jaren. Deze zomer was het zelfs uitzonderlijk warm en droog. De warmste julidag in de nabijgelegen plaats Tasiilaq was dit jaar 18,2 graden, terwijl de gemiddelde temperatuur in die maand 8,2 was. Meteorologen verwachten dat het in Oost-Groenland over vijftig jaar gemiddeld ongeveer 12 graden warmer is dan nu. „De winters zijn tegenwoordig korter en minder koud. Door de schommelende temperaturen is de Sermilik-fjord niet meer constant bevroren in de winter, zoals tien jaar geleden. Het ijs is dunner”, zegt Paulus Larsen (61). Ook hij was vroeger jager, maar tegenwoordig is hij jongerenwerker, toeristengids en een soort burgemeester. Maar het jagen blijft zijn passie. Voor de Inuit is het dunne ijs een groot probleem. Want traditiegetrouw vangen zij juist zeehonden, walrussen, narwals en ijsberen vanaf het ijs. „Er valt bovendien meer sneeuw dan vroeger. Soms wel twee meter of meer. En dun ijs met een dikke laag sneeuw erop is erg onbetrouwbaar”, zegt Larsen. „Zomaar het ijs op lopen om te gaan ijsvissen op roodbaars, kan niet meer. Eén van ons gaat voorzichtig vooruit en dan volgen de anderen van een afstandje in zijn spoor”, vult Kristiansen aan. Het dunne ijs heeft ook gevolgen voor sommige soorten zeehonden, want de jongen van bijvoorbeeld de ringelrob komen ter wereld in een hol in de sneeuw op het ijs. Steeds vaker zakken de jongen door het dunne ijs. „In het voorjaar zie ik de jongen rondzwemmen, piepend om hun moeder, terwijl ze eigenlijk nog in hun hol moeten liggen. Hun wollige nestharen zuigen veel water op, daardoor worden ze zwaar en verdrinken ze”, vertelt Kristiansen. Op de Sermilik-fjord lijkt de boot van Julius Nielsen (33) erg klein tussen de gigantische ijsbergen. Op de kap van de boot ligt een geweer klaar. Handig manoeuvreert Nielsen zijn boot door een ijslaag van zo’n twee centimeter. Vervaarlijk schuurt en bonkt het ijs tegen de bodem. „Dit is nog niks”, verzekert hij, „als de winter komt, varen we door ijs van wel tien centimeter.” Ook al zijn de Groenlandse boten extra versterkt, ze zijn niet ontworpen als ijsbrekers en daarom slaat het ijs soms gaten in de boten. Daarom gaat hij er ’s winters liever op uit met zijn hondeslee. Maar door het dunne ijs is jagen met de hondeslee gevaarlijker. „Nu moeten we ons met de boot door het ijs vechten, dat is lastig en kost veel tijd terwijl de winterdagen al kort zijn.” De zeehonden trekken dieper de fjord in, in de richting van de ijskap waar het kouder is en het ijs dus betrouwbaarder. Daarom moeten ook de jagers verder van huis, wat de jacht tijdrovender maakt en hogere kosten voor benzine voor de boot meebrengt. Bovendien is het weer extremer dan voorheen. „We zijn gewend aan de pitaraq (een hevige storm – red.), maar nu stormt het soms nog heftiger. Het regent vaker en de stromingen in het water veranderen”, aldus Nielsen. De laatste weken is het politieke debat over de eventuele ontruiming van de kleine nederzettingen weer opgelaaid. Want als de traditionele leefwijze – die toch al kunstmatig in stand wordt gehouden met de financiële steun van de overheid – helemaal verdwijnt, is het te duur om de nederzettingen bewoonbaar en bereikbaar te houden. Kristiansen schudt zijn hoofd als hij de radioberichten hierover hoort. Hij is blij met zijn baan in de wasserette, want er zijn maar een beperkt aantal banen in dit dorpje. Veel dorpsbewoners hebben een uitkering en dat is geen vetpot. Maar de Inuit-cultuur heeft zich altijd gekenmerkt door innovatie en een groot aanpassingsvermogen, meent hij. En ook al verandert het klimaat, toch zien veel Groenlanders dat niet uitsluitend als negatief.[ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
