Benno Tempel |
|
datum plaatsing |
|
medium |
|
auteur |
Sandra Jongenelen |
Benno Tempel (1972) wil gastheer en regisseur zijn. Het klinkt opmerkelijk uit de mond van een kunsthistoricus die zo’n honderd dagen geleden aantrad als directeur van het Gemeentemuseum Den Haag. ‘Het publiek moet zich welkom voelen. Zorg dat mensen iets beleven en denken: wauw! ’ Graag maakt hij het museum wat speelser en besteedt hij meer aandacht aan de presentatie. Tentoonstellingen horen geen invuloefeningen te zijn. Die publieksgerichte mentaliteit scherpte Tempel aan bij de Kunsthal waar hij zes jaar conservator was. Maar het waren vooral zijn ouders die het hem bijbrachten. Dat waren ondernemers die een elektronicazaak aan huis hadden. In grote lijnen zet de nieuwe directeur het beleid voort van zijn voorganger Wim van Krimpen, die jazzmuziek en avondjurken toevoegde aan de zaal met de Victory Boogie Woogie, het laatste onvoltooide schilderij van Piet Mondriaan. Muziek en toneel wil Tempel ook op een andere manier het museum in loodsen. Tijdens The Hague Jazz, een jazzevenement in mei, is het auditorium gereserveerd voor workshops. En vorige maand was het Zuidelijk Toneel te gast met Victory Boogie Woogie, een toneelstuk over Mondriaan dat nog tot en met eind april door het land toert. Met het publiek in zijn achterhoofd, gaat Tempel ook de bordjes bij de schilderijen vergroten. ‘Conservatoren vinden dat niet esthetisch, maar het gaat wel gebeuren. Vooral ouderen kunnen het amper lezen.’ Ellenlange teksten bij elk schilderij blijven achterwege. Die doden volgens hem de beleving. ‘Je moet mensen prikkelen. De magie van een schilderij moet ze raken. Met een tekstbord gaat dat verloren.’ Tegelijkertijd waakt Tempel voor verregaand populisme en pleit hij voor meer professionaliteit. ‘Nederlandse musea moeten zich doodschamen dat de collecties zo slecht op de website beschikbaar zijn. Ik steek mijn hand in eigen boezem. Als wij ons laten voorstaan op onze Mondriaans – we hebben de grootste collectie ter wereld – dan moeten ze ook goed te zien zijn. Alleen het Rijksmuseum heeft het op orde, verder niemand.’ Het manco heeft te maken met geld, altijd heikel binnen de kunstwereld. Maar Tempel wijt het ook aan de oudere generatie museumdirecteuren. ‘Ze zagen internet als concurrentie. Wat mij betreft maakt het ons rijker en levert het juist publiek op.’ Voor zijn benoeming op 1 januari werkte Tempel in het Dordrechts Museum, het Rijksmuseum, de Kunsthal en het Van Gogh Museum, onder in totaal zes directeuren. ‘Dat is veel’, stelt hij. ‘De meeste conservatoren zijn bij hun pensioen toe aan twee directeuren.’ Zijn leeftijd – 36 jaar – levert hem steevast de kwalificatie ‘jong’ op, maar Tempel noemt dat slechte journalistiek. ‘Sjarel Ex was 31 toen hij directeur van het Centraal Museum werd. Kijk om je heen. Er is sprake van een generatiewisseling.’ Opvallend is dat Tempel moeiteloos schakelt tussen kunsthistorische en beleidmatige onderwerpen. Hij is kunsthistoricus én manager. Terwijl hij volgend jaar hoopt te promoveren op een proefschrift over de Nederlandse kunstkritiek in de negentiende eeuw, praat hij moeiteloos over het aantrekken van sponsors en de gevolgen van de economische recessie. De eerste maanden aan het roer van het Gemeentemuseum vielen mee. ‘Ik verwachtte geen lijken in de kast, maar in ieder bedrijf heb je nou eenmaal oud zeer. Hier heerst een enorme gedrevenheid. De hele organisatie denkt mee.’ Hij vertelt over Gerard Fieret, de Haagse fotograaf wiens werk in de collectie is vertegenwoordigd. ‘Nadat hij was overleden, stelde iemand van de technische dienst voor om een zelfportret met een rouwrand eromheen op te hangen. Een half uur vóór het publiek binnenstroomde en nog vóór de conservatoren iets hadden gezegd, hing het. Dat vind ik uniek; petje af.’ Met de gemiddelde bezoeker in zijn achterhoofd hekelt Tempel bepaald taalgebruik. Op de rol staat een tentoonstelling over Art Deco, een populaire stijl van bijna honderd jaar geleden. Het wordt een multidisciplinaire presentatie, maar zelf neemt hij dat ‘rotwoord’ niet in de mond. ‘Multidisciplinair? Dat snapt toch niemand? Zeg toch gewoon dat je mode, meubels en schilderijen combineert.’ Die helderheid in taal voert hij door op zaal. De kunst moet het verhaal vertellen, niet de kunsthistoricus. ‘Je kunt een verantwoord essay schrijven, maar hang je drie schilderijen naast elkaar dan snapt de bezoeker ook wat je bedoelt. Zo niet, dan is de tentoonstelling niet goed.’ Hij licht dat toe aan de hand van Cézanne, Picasso en Mondriaan, waar eind dit jaar een grote tentoonstelling van komt. Tempel: ‘In 1911 heeft Mondriaan het werk van Picasso en Cézanne gezien op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar ook zijn werk hing. Mondriaan maakte op dat moment symbolistische schilderijen.’ Tempel slaat een catalogus open en wijst op een antroposofisch getint, realistisch doek en vervolgt: ‘Op die tentoonstelling raakte Mondriaan enorm onder de indruk van het werk van Cézanne en besloot hij hem achterna te reizen naar Parijs. Pas daar maakte hij kennis met het kubisme van Picasso en zette hij de stap naar abstractie.’ Voor Tempel is dat gegeven aanleiding om de tentoonstelling Cézanne en Picasso die door Van Krimpen al op de rails was gezet, uit te breiden met Mondriaan. Buitenlandse musea reageerden enthousiast op de conceptaanpassing, merkt hij. ‘Ze willen graag met ons samenwerken.’ Sinds 1956 is er geen Cézanne-tentoonstelling meer in Nederland geweest. Voor de grote namen van de twintigste eeuw moet het Nederlandse publiek naar het buitenland. Dat stoort Tempel. ‘Waarom hebben we hier geen Matisse?’ Het antwoord laat zich raden. De canon blijft vooral uit geldgebrek buiten de landsgrenzen. Als directeur van het Gemeentemuseum probeert hij dat te veranderen door volgend jaar uit te pakken met Wassily Kandinsky (1866-1944). Het belooft een publiekstrekker te worden, een blockbuster, al houdt Tempel niet van dat woord. Het gaat te zeer uit van oppervlakkigheid en dat geldt niet voor de tentoonstelling die zich in zijn hoofd vormt. ‘We willen laten zien hoe Kandinsky, vertegenwoordiger van Der Blaue Reiter, vanuit het kleurrijke expressionisme naar abstractie gaat, een vergelijkbare ontwikkeling die Mondriaan doormaakte. De presentatie wordt geen invuloefening. We willen bezoekers verrassen. Ze moeten denken: hé, zo heb ik Kandinsky nog nooit gezien.’ De komst van de vijftien Cézannes is alleen mogelijk dankzij financiële steun van Shell Nederland. Begin dit jaar riep Tempel de media op de namen van de financiers voortaan op te nemen in het informatiebalkje met tentoonstellingsgegevens onder een verhaal. Op die manier zou een geldschieter meer erkenning krijgen en vaker geneigd zijn bij te dragen. Het pleidooi zorgde voor een storm van negatieve reacties. NRC Handelsblad vond dat Tempel de sponsor besmeurde door hem neer te zetten als een ijdeltuit. Terugkijkend toont hij zich verrast over die sentimenten. ‘Het is oude journalistiek. Wij zijn er niet om de naamsbekendheid van Shell te bevorderen. Het bedrijf draagt bij omdat ze nogal wat expats hebben. Die kunnen ze aan zich binden door Den Haag als cultuurstad internationaal op de kaart te zetten. Daarbij geldt: Wat is een samenleving? Die bestaat niet alleen uit politici of intellectuelen. Wij allemaal vormen de samenleving. Commerciële bedrijven horen er ook bij en met kunstsponsoring kunnen ze hun betrokkenheid tonen.’ Hij somt nog een argument op voor naamsvermelding. ‘Als de Nederlandse Bank de Victory Boogie Woogie van Mondriaan aankoopt dan staat dat erbij. Waarom Shell dan niet?’ Ook wijst hij naar andere sectoren. De Rabobank steunt de wielerploeg. Dat weet toch iedereen? Hetzelfde geldt voor de NS en de Boekenweek.’ Zijn betoog klinkt aannemelijk maar tot op heden gaf geen krant of tijdschrift gehoor aan zijn appel. Tempel: ‘Dat vraagt om een ingezonden brief.’ Gezien de economische recessie lijkt het binnenhalen van sponsors een harde dobber maar Tempel is optimistisch. ‘Er blijven altijd particulieren en bedrijven die ons steunen. Wij zijn ook relatief goedkoop. Met een ton kunnen we heel veel doen. Dat is veel minder dan de paar miljoen die een wielerploeg kost.’ Nieuw is dat het museum het midden- en kleinbedrijf gaat benaderen. ‘Draagt een Haagse schilderszaak voor vijfduizend euro bij dan zijn we daar hartstikke blij mee.’ Extra euro’s zijn niet alleen nodig voor kostbare tentoonstellingen. Ook vergt het restauratie- en conserveringsproject van de Mondriaancollectie miljoenen. Daarnaast is financiële steun nodig om het museum internationaal op de kaart te zetten. Om duidelijk te maken wat hij bedoelt, trekt Tempel de vergelijking met de sport. ‘Ooit behoorde Ajax tot de wereldtop, maar die plek komt nooit meer terug. De beste spelers worden weggekocht. Cruijff is als speler verdwenen. Die tijden zijn voorbij. ‘Kijk je naar het museum dan kan je nog steeds van onze sterspeler genieten: de Mondriaancollectie. Die internationale ‘toppositie van het verleden’ houden we. Maar het kost geld om in het heden in de eerste klasse te blijven. Wij hebben een rijkdom die je moet koesteren. Iedere buitenlander die hier komt, vergeet Den Haag niet meer, terwijl iedere toerist die niet verder komt dan de zee en de winkels, de stad direct uit zijn herinnering wist.’ Tempel merkt dat buitenlanders acuut vallen voor het bakstenen gebouw, een schepping van Berlage uit 1935. Zelf typeert hij het als ‘het mooiste museum van Nederland’, een opvatting die hij naar eigen zeggen deelt met collega’s. ‘Het is een ademend gebouw van twee verdiepingen met een menselijke maat. Groot én compact. Je kan er verdwalen maar het is ook overzichtelijk. Altijd is er wel een uitgang. Veel zalen kennen daglicht en vaak zijn er drie deuren. Dat zorgt voor mooie doorzichtjes.’ Het predicaat ‘mooiste van Nederland’ valt niet samen met ‘het beste’, maar Tempel rekent zijn museum tot de top drie, na het Rijksmuseum en het Kröller-Müller Museum. Die laatste instelling wedijvert wat hem betreft met het Van Gogh Museum. ‘Ze hebben min of meer dezelfde Van Goghs, maar Kröller-Müller heeft ook nog eens fantastische schilderijen van Renoir en Seurat en een belangwekkende hedendaagse kunstcollectie.’ Hij bedoelt het niet naar, maar het Van Gogh Museum waar hij de afgelopen twee jaar als conservator werkte, beschouwt hij eigenlijk als een luxe museum. ‘Het is de slagroom op de taart. Ik ben heel blij dat het er is maar je zou eventueel zonder kunnen.’ Datzelfde gaat volgens hem op voor het Mauritshuis dat deels met het Rijksmuseum dubbelt. ‘Maar begrijp me niet verkeerd: de rijkdom is groot en die moeten we bewaren.’ Dat betekent niet dat de groei altijd maar door moet gaan. ‘Nederland heeft de grootste museumdichtheid ter wereld. Dat kan zo niet verder. Musea moeten afzien van hun encyclopedische manier van verzamelen. Hij verwacht dat de 21ste eeuw het tijdperk wordt van het ontzamelen, het afstoten van schilderijen. Nu gebeurt in veel musea hetzelfde. Musea moeten zich herprofileren. Het mag allemaal wel wat helderder. Op dit moment is Tjebbe Beekman hot. Straks is in ieder museum een schilderij van hem te vinden. Willen we dat? Stukken in kleinere musea zijn vaak niet eens museaal. Moeten we ze toch allemaal bewaren?’ Tempels vragen zijn niet nieuw. In het verleden wierp Sjarel Ex, directeur van Museum Boijmans van Beuningen ze ook al op. Maar aan de beantwoording ervan is de Nederlandse museumwereld voorlopig nog niet toe. [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
