Paul Nassenstein |
|
datum plaatsing |
|
medium |
|
auteur |
Sandra Jongenelen |
Zoals een popmuzikant een goed liedje met twee akkoorden kan pakken, zo probeert Paul Nassenstein (1966) zijn werk van alle ruis te ontdoen. Een idee kleedt hij uit, totdat er een helder concentraat overblijft. Jean-Michel Basquiat doet exact het tegenovergestelde. ‘Hij breit maar door.’ Toch bewondert Nassenstein hem en neemt hij boeken over de Amerikaanse kunstenaar mee naar zijn studenten aan de Rietveld Academie. Hij laat ze Narratives of a Negress van Karen Walker met uitgeknipte zwart-wit silhouetten zien, maar ook het rauwe werk van Charlie Roberts. Nassenstein zag zijn beelden op de Sonsbeek-tentoonstelling en bij galerie Vous Etes Ici. ‘Roberts is een soort punkrocker met inhoud. Hij doet meer dan alleen maar raggen op het podium.’ De helderheid van een idee vindt Nassenstein vooral terug bij cartoonisten. ‘Mensen doen soms laagdunkend over striptekenaars, maar zij maken de realiteit begrijpelijk. Daar kan de kunst van leren.’ In het verlengde daarvan voelt hij zielsverwantschap met Jean-Jacques Sempé, de Franse stripauteur die onder andere voor The New Yorker tekende. Tot zijn favorieten rekent hij ook Gary Larson, die lange tijd met The Far Side in Het Parool stond, evenals Mark Retera, geestelijk vader van DirkJan. Maar ook David Shringley die met Do not bend qua stijl tussen Kamagurka en kunst in zit, noemt Nassenstein ondanks zijn beperkte reikwijdte een voorbeeld. Daarnaast is hij liefhebber van Saul Steinberg, eveneens sterillustrator van The New Yorker. De dikke pil vol Steinberg-prenten valt bijna uit elkaar, maar Nassenstein hecht daar niet aan. ‘Boeken zijn om te gebruiken.’ Hij haalt de nog onbeduimelde bundel met alle afleveringen van Peanuts tevoorschijn, de strip met Snoopy en Charlie Brown, waarin hij dezelfde helderheid herkent. Sommige tekeningen wekken zijn emotie op, waaronder die van een klein hondje op een hok. ‘Goud waard.’ Van een geheel andere orde is Droom en werkelijkheid over de inspiratiebronnen van Hergé voor de Kuifje-reeks. Een gezonken schip, een klassiek landhuis of een Tirools boertje; de Belgische striptekenaar ontleende zijn plaatjes grotendeels aan de werkelijkheid. In de literatuur herkent Nassenstein zijn manier van werken bij een auteur als Tim Krabbé. ‘Die boeken zijn als een soort machientjes die er losjes uitzien, maar een organische kloppendheid kennen.’ Hetzelfde geldt voor cabaretier Kees Torn, wiens Inkijkexemplaar in de boekenkast staat. ‘Torn is een puntdichter à la Drs. P. Heeft hij een goed idee dan werkt hij dat uit om er vervolgens een twist aan te geven.’ Boeken wekken bij Nassenstein een enorme hebzucht op, maar kopen doet hij beheerst. Sommige uitgaven bekijkt hij in de boekwinkel of bibliotheek en schaft hij niet aan. Van Kiefer, één van zijn lievelingsschilders, heeft hij niks. Doordat hij slechts in de vakanties leest, koopt hij nagenoeg geen literatuur. Platform van Houellebecq sleepte hij drie jaar achter zich aan voordat hij de finish haalde. Over Gods Gym van Leon de Winter deed hij vijf jaar. Onlangs kreeg hij Fake van Victor Frölke cadeau, waar hij naar eigen zeggen jaren over zal doen. Datzelfde geldt voor Bingo! van Clark Accord. ‘Dat lees ik misschien binnen twee jaar.’ Eén van de planken torst De nootjes van het huwelijk van Aysel Calişkan. Nassenstein kreeg het in ruil voor de begeleiding van een aantal kopstukken. Onder zijn leiding maakten Henk Vondel, Erica Terpstra en Frits Bolkenstein een schilderij, waarvan de opbrengst na veiling in februari, naar een goed doel gaat. Voor het niet-literaire werk stroopt Nassenstein de kringloopwinkel of antiquariaten af, waar zijn oog zoekt naar informatie over bijvoorbeeld de luchtvaart, het ontstaan van de aarde of dinosaurussen. Degelijke boeken zijn meestal twintig jaar oud, kosten een paar euro en bevatten sappige feitjes die hij na verloop van tijd weer vergeet. Via die weg schafte hij voor vijfentwintig cent Ja, maar kan een stoommachine dat ook van Woody Allen aan. Hij leende het boek vijftien jaar geleden en moest het beslist teruggeven. Maar de buurjongen verhuisde en Nassenstein raakte het exemplaar kwijt. Nu ligt de aankoop te wachten voor het geval ze elkaars pad weer kruisen. En dan is er de jaaruitgave van Metropolis M uit 1989, die zou worden weggegooid als Nassenstein hem niet had meegenomen. Kunstbladen bekijkt en leest hij op een zapmanier. ‘Niet dieper dan een schuursponsje.’ Mister Motley, een tijdschrift over hedendaagse beeldende kunst, beschouwt hij als een soort missing link in de kunstbladen. ‘Supergoed.’ Zijn kast bevat ook Was Pollock kleurenblind?, waarin Diederik Kraaijpoel pleit voor de herschrijving van de kunstgeschiedenis. Nassenstein is het voor meer dan de helft niet met deze kunstenaar, docent en kunstschrijver eens, maar erkent zijn kennis en goede pen. ‘Hij denkt heel anders dan mijn generatie en stelt dingen die wij vanzelfsprekend vinden ter discussie. Dat is heel interessant.’ Paul Nassenstein is winnaar van de Jeanne Oosting Prijs 2008 Sandra Jongenelen [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
