Eindelijk een tegenstander voor Desi Bouterse |
|
datum plaatsing |
|
medium |
|
auteur |
Diederik Samwel |
interview minister Santokhi Eindelijk een tegenstander voor Desi Bouterse Eigenlijk gaat het de Surinaamse minister van Justitie Santokhi allemaal niet snel genoeg. Zeker, het politieapparaat wordt versterkt, drugsbaronnen zitten achter de tralies en sinds kort zijn veiligheidsgordels verplicht. Maar hij heeft nog veel meer projecten op stapel staan. De decemberzaak tegen Bouterse bijvoorbeeld. Ook dat past in zijn streven het gevoel voor rechtsorde te herstellen. Want: ‘Alle grote, strafbare feiten beginnen bij de kleinste zonden die niet bestraft worden.’ Op weg naar zijn werkkamer staan of zitten zeker zes bodyguards. De toegangsdeuren zijn voorzien van robuuste, op afstand bedienbare sloten. Tijdens het gesprek klikt de minister regelmatig op de muis van zijn pc. En dat doet hij niet om de stroom binnenkomende mailtjes in de gaten te houden. Op het scherm verschijnen beelden van vier camera’s: bij de portier, de gang naar zijn werkkamer, de belendende vergaderzaal en het secretariaat. Is hij bang dat hem iets overkomt? De bewindsman reageert laconiek. Na ruim 25 jaar bij de politie is hij wel het een en ander gewend. Thuis kregen ze wel eens dreigbrieven of vervelende telefoontjes, zeker wanneer onder zijn verantwoordelijkheid het kopstuk van een drugsbende was opgepakt. Zware jongens die tijdens het verhoor met dreigementen kwamen over wat hem en zijn gezin allemaal te wachten stond. Een minzaam lachje. Toch realiseert de minister zich dat juist daar zijn zwakke plek ligt: ‘Ik ben bang dat ik vanwege mijn vorige functie een beetje immuun ben geworden. Daarom laat ik mijn eigen veiligheid over aan een speciale eenheid. Dat zijn de enige mensen die mij opdrachten mogen geven. Want we moeten overal rekening mee houden. Ik moet niet constant denken dat mij toch niets kan gebeuren. Juist dan zou ik serieuze signalen kunnen negeren. Daarom wordt alles uitgewerkt en nagetrokken.’ Amerikanen in de keuken Sinds zijn aantreden in augustus 2005 haalt minister Chandrikapersad Santokhi (48) vrijwel dagelijks de pers. Is het niet met de presentatie van een meerjarenplan of de opening van een gerenoveerde brandweerpost dan wel rond de ontvangst van de Rotterdamse burgemeester of het werkbezoek van een Haagse procureur-generaal. Kan ook dat hij naar Aruba vliegt om te kijken of de afspraken uit het op zijn instigatie gesloten internationale drugspact wel worden nageleefd. Vorig najaar heeft Santokhi vertegenwoordigers uit alle betrokken landen uitgenodigd in Paramaribo om tot een gezamenlijke aanpak van de drugshandel te komen. Zijn redenatie is simpel: ‘Waar komt de cocaïne vandaan? In welke landen vindt doorvoer plaats en waar gaat het naar toe? Willen we iets bereiken, dan moeten we Colombia en Venezuela erbij betrekken, maar net zo goed Engeland en Frankrijk. Wij hebben een coördinerende rol op ons genomen en nu moeten we alles doen wat mogelijk en toelaatbaar is. Daarom hebben we ook de wet Bijzondere Opsporings Bevoegheden aangenomen, naar Nederlands model. Toch merk ik dat er iets niet goed gaat in de Caribische regio. Op Trinidad zijn dit jaar tot half maart al honderd moorden gepleegd, waaronder veel drugsgerelateerde. Jamaica zit op driehonderd zoveel. Sommige landen voelen zich beschroomd om samen te werken met Amerikanen, omdat die dan in hun keuken kunnen kijken. Nou, ik heb liever dat de VS bij mij in de keuken staan dan al die drugsbaronnen. Zo bekijk ik het tenminste.’ De internationale contacten die Santokhi in de loop van zijn loopbaan bij de politie heeft opgebouwd, komen goed van pas in zijn huidige functie. ‘Ik heb altijd geïnvesteerd in mijn opleiding. En wanneer je veel doet, word je op een gegeven moment ontdekt door internationale gemeenschap. Dan krijg je trainingen aangeboden in de regio, van de VN, de VS, in Canada, Nederland.’ Zo werkt de Surinaamse politie al vanaf 1991 samen met de Amerikaanse Drug Enforcement Administration en zijn sinds kort DEA-mensen permanent in Suriname gestationeerd. De aanpak levert succes op: de laatste anderhalf jaar zijn de nodige topcriminelen opgepakt en drugsbendes ontmanteld: ‘Hoe meer resultaten, hoe meer fondsen; zo is de spelregel van de Amerikanen. Als de machtigste president van de wereld zegt dat het hier goed loopt, dan zegt dat wel iets.’ Na de politieopleiding in Apeldoorn remigreerde Santokhi in september 1982 naar Suriname. Uit liefde voor zijn land. En omdat Suriname juist in moeilijke tijden haar mensen nodig heeft. En moeilijk was het zeker onder het militaire regime van Desi Bouterse. Drie maanden na zijn aantreden als politieofficier bij bureau Geyersvlijt in Paramaribo-Noord hoorde Santokhi op de radio dat vijftien samenzweerders op de vlucht waren doodgeschoten. Niemand die het geloofde, want de media stonden onder strenge controle van de machthebbers. Santokhi vroeg dan ook om een spoedbijeenkomst met de korpschef omdat hij vond dat er een strafrechtelijk onderzoek moest komen. De korpschef zou het opnemen met minister Graanoogst van Leger en Politie: ‘Maar ja, u moet begrijpen dat de militairen toen in feite de politie vormden. De politie zelf was een tweederangs apparaat. Bestrijding van de criminaliteit was een probleem omdat heel wat zware misdrijven werden gepleegd door de militairen zelf. Die kon je niet aanpakken. En je kon niet praten over de decemberzaak; je kon niet zomaar gaan onderzoeken. Ik ben blij dat ik tijdens de militaire periode in elk geval mijn bijdrage heb geleverd aan upgrading van de politie.’ Natuurlijk kreeg Santokhi nooit antwoord op zijn verzoek aan de minister. Zijn rechtsgevoel is er nooit door aangetast. Zo geleidelijk als zijn land zich herstelde van de militaire periode en de Binnenlandoorlog, zo spectaculair was zijn opmars tot korpschef. Een verrassing was het dan ook niet toen ze hem in 2005 vroegen als minister van Justitie en Politie. De Nieuw Front-regering had hem al eerder gepolst, maar toen vond hij zich nog te jong. Nu is hij rijper en wijzer geworden, vindt Santokhi zelf. Hij mag dan wel namens de hindoestaanse VHP deel uitmaken van de regering, hij weet niet eens of hij wel partijlid is: ‘Haha, dat moet ik nog eens gaan onderzoeken. Maar als minister ben ik sowieso lid van VHP. Volgens de partijstructuren ben ik lid omdat ik een politieke functie bekleed. Mijn lidmaatschap ligt bij het secretariaat, ik moet nog eens kijken of dat is goedgekeurd.’ Crimefighters Twintig jaar na december ‘82 heeft Santokhi als commissaris van politie ‘de eer gehad’ het gerechtelijk onderzoek naar Bouterse en de overige verdachten te leiden. Eind 2004 is een begin gemaakt met de rechtszaak maar de behandeling van de bezwaarschriften is nog altijd niet afgerond. Maar wanneer het proces echt van start gaat? Santokhi kan weinig meer dan afwachten tot het Hof de laatste bezwaarschriften van de verdediging tegen de vervolging van Bouterse en de andere verdachten heeft afgehandeld. Volgens hem gebeurt dat nog deze maand: ‘Begin volgende maand ligt de bal op de helft van het OM. Binnen één tot twee maanden moeten de dagvaardingen de deur uit. Dan kan het proces eind april, begin mei beginnen. Zoiets.’ Santokhi gaat niet in op de vraag of vanuit Nederland en de VS druk wordt uitgeoefend om het proces tegen Bouterse uit te voeren. ‘Andere grote en kleine landen hebben het op hun manier geprobeerd. Deze landen hebben zelf initiatieven genomen om allerlei onderzoekingen te verrichten. Zij hebben hun beurt gehad. Nu zijn wij aan de beurt. Laat dit kleine land het nu zelf doen.’ Geen kwaad woord over de samenwerking met de Nederlandse overheid. Santokhi’s departement voldoet aan de voorwaarden van de zogenoemde sectorale aanpak (de eisen aan het vrijgeven van de resterende verdragsmiddelen, DS) en daardoor worden veel van zijn in totaal 96 verschillende projecten gefinancierd door Den Haag. ‘Ik heb een goede band met collega Hirsch Ballin. Die dateert nog uit zijn vorige ministersperiode. We hebben regelmatig contact. We zijn allebei crimefighters. Hij is nog nooit hier geweest; binnenkort ga ik hem officieel uitnodigen.’ Wat betreft de decemberzaak heeft de regering volgens Santokhi alles gedaan om de rechterlijke macht in staat te stellen het proces ongestoord en goed te laten verlopen. Infrastructureel en logistiek. De komende weken gaat hij extra mensen aantrekken voor de beveiliging van de rechterlijke macht: ‘Niet dat ze zich onveilig voelen, maar als ze roepen dat ze meer veiligheid willen, geef ik daar direct gehoor aan. Dat kost geld, maar de belangen zijn groot. We moeten vijfentwintig mensen extra beveiligen. Of er concrete bedreigingen zijn geweest? Het gaat om stoere taal van personen die als verdachten aangemerkt zijn. En om onze kleine samenleving waarin geruchten snel worden gevoed. Er hebben zich een paar keer incidenten voorgedaan. Een brandbom naar de woning van een rechter, politieke inbraken bij rechters thuis, dreigbrieven, kogels opsturen, dreigtelefoontjes. Allemaal incidenten die niet uit de richting van een gewone dief komen. Intimidatie. Maar wel signalen die maken dat je meer aan de veiligheid moet doen. Los van de decemberzaak hebben we de laatste anderhalf jaar verschillende criminele organisaties ontmanteld. De kopstukken hebben we achter de tralies gezet en die organisaties blijven ook niet rustig op hun plaats zitten. Daarbij is er verwevenheid tussen criminele organisaties. Het is niet in eerste instantie nodig om te achterhalen waar die dreiging precies vandaan komt. We moeten allereerst maatregelen nemen.’ Bijstand Frans Guyana Santokhi verwacht geen onrust bij de start van het decemberproces. Tenminste, wanneer de verdachten en getuigen gewoon meewerken en voor de rechter verschijnen, zoals tot nog toe is gebeurd. Anders ligt het zodra de rechter besluit ‘vrijheidsbenemende dwangmiddelen’ op te leggen. Dan zouden vanuit ‘bepaalde groeperingen in de gemeenschap’ wel eens heftige reacties kunnen komen. Santokhi laat niets aan het toeval over. Daarom sloot hij een maand na zijn aantreden een overeenkomst met het Nationaal Leger en staat hij in contact met buurland Frans Guyana om politieversterking te kunnen vragen wanneer de situatie daarom vraagt: ‘Eerst moeten we nationaal de mogelijkheden uitputten. We moeten rekening houden met personen die een heel dreigend beeld kunnen gaan creëren, maar als puntje bij paaltje komt, zijn ze nowhere.’ Opvallend is dat Santokhi geen enkele keer de naam noemt van de hoofdverdachte in het decemberproces. Ook niet wanneer hij ingaat op het huidige publiciteitsoffensief van Bouterse en de NDP (Nationale Democratische Partij) waarvan hij voorzitter is. Tijdens speciale massabijeenkomsten voor de jeugd en in een live-interview op televisie kreeg het publiek de laatste weken de kans vragen te stellen aan de oud-legerleider over de recente geschiedenis. Al te kritische vragen liet hij daarbij voor wat ze waren. Liever presenteerde hij nog maar eens zijn persoonlijke versie van de revolutie in 1980. Waarbij Bouterse de slachtoffers van de decembermoorden in 1982 bijvoorbeeld tegenover de gesneuvelde soldaten in de Binnenlandoorlog plaatste. Santokhi reageert vrij laconiek op Bouterses herhaald uitgesproken pleidooi voor amnestie. Ook dat valt wat hem betreft onder de noemer ‘intimidatie’: ‘Men is constant bezig geweest. We hebben de nodige demonstraties gehad, politieke acties, journalistieke acties. De laatste tijd is een uitgebreide public campaign aan de gang om alles rond december ’82 te vergoelijken. Tot nog toe gaat het om een psychologische, politieke strijd. Zodra resultaat uitblijft, zal men op andere methoden overschakelen. Maar ook daar zijn we op berekend.’ Voor alle duidelijkheid, het gegeven dat Bouterse als hoofdverdachte in een omvangrijke moordzaak niet eerder is opgepakt, heeft volgens Santokhi niets te maken met het vermijden van escalatie in de samenleving: ‘Die roep was er, die druk was er. Maar als we die dwangmiddelen vijf jaar geleden toegepast hadden, zouden de verdachten nu, als gevolg van het verstrijken van de termijn, vrij rondlopen. Dan zou Justitie het verwijt hebben gekregen dat we hen, tegen beter weten in, vroegtijdig hebben aangehouden. Dat risico hebben we heel bewust niet willen nemen. De wettelijke termijnen kun je niet onbeperkt blijven verlengen. Tenzij je die fout bewust wil maken; dat kun je ook doen natuurlijk. We laten nu alles over aan de rechterlijke macht. Deze zaak staat onder directe aansturing van het Hof. Het OM doet niets zelfstandig, waar dat in een normale zaak wel zo is.’ Eén verdachte Santokhi is zich bewust van de gevoeligheden van het decemberproces. Terwijl in het buitenland iedereen vol verwachting toekijkt, blijkt uit een recente opiniepeiling dat een meerderheid in eigen land niet op de berechting van Bouterse zit te wachten. Want waarom zou je oude wonden openrijten? Santokhi benadert de zaak zo juridisch mogelijk: ‘We doen de zaak als te zijn een grote zaak. Dat deze zaak extra aandacht krijgt van de wereldgemeenschap, heeft te maken met tenminste één verdachte die in het machtscentrum zat. Eén verdachte die een behoorlijke partij achter zich heeft. Vanwege die ene persoon is er zoveel aandacht van de pers, ook internationaal. Maar wij zien het als een strafzaak.’ Zeker, het gaat om schendingen van de mensenrechten die door de internationale gemeenschap worden beoordeeld. Santokhi wijst erop dat het Internationaal Strafhof is opgericht omdat kleine landen niet tot de bijbehorende rechtsgang in staat zijn. Maar dat ligt anders voor Suriname: ‘We hebben een militaire periode gekend en daarna een tijd van herstel en her-democratisering. Wij vinden nu dat we als rechtstaat - ik zeg niet dat we sterk genoeg zijn - wel in staat zijn grote zaken aan te pakken. Ik zeg daarbij wel dat we nog steeds kwetsbaar zijn. Dat proberen we op te vangen door heel wat voorzieningen te treffen. We weten dat we te doen hebben met een groep die zich niet als lammeren naar de stal zullen laten leiden. Gekke mensen zijn tot alles in staat. Tegenwoordig doe je alles met een beetje geld. Vanaf mijn aantreden ben ik constant aan het investeren. In arrestatieteams, antiterreurdiensten, extra beveiliging, de opzet van zeer goede intelligence services, waarbij we internationaal nauw samenwerken.’ Santokhi vindt dat hij slaagt als minister wanneer de Surinaamse gemeenschap tevreden is en burgers zich veilig voelen. Dat lukt alleen wanneer iedereen zich betrokken voelt en zijn verantwoordelijkheid neemt. Daar is de gehele gemeenschap voor nodig: van buurtmanagers tot bedrijfsleven, van de private sector tot scholen en ngo’s. Maar dan nog, als minister heeft hij nauwelijks invloed op woningnood, armoede en werkloosheid; de omstandigheden die criminaliteit in de hand werken. Met een lik-op-stuk-beleid kan hij er wel toe bijdragen dat het gevoel voor rechtsorde wordt hersteld: ‘Alle grote, strafbare ernstige feiten beginnen bij de kleinste zonden die niet bestraft worden. Verkeersdelicten waarvan iedereen duidelijk kan zien dat ze niet bestraft worden. Daar moeten we beginnen. Zero tolerance. Overal verkeerscontrole. Dan beïnvloed je het gedrag van mensen. De politieman die hier dag en nacht mee bezig is, raakt gedemoraliseerd als hij merkt dat mensen niet berecht worden. Daarom ben ik nu ook bezig met snelrecht; de invoering duurt alleen te lang. Daar ben ik een beetje ontevreden over.’ Zijn verdere ambities? Eerst maar eens zien hoe hij het er als minister van af brengt. Santokhi heeft voorlopig zijn handen vol aan al zijn projecten. Hij mikt op uitvoering van tachtig procent per jaarplan en dat is best pittig, zegt hij zelf. Maar ook daarna zal hij altijd iets doen om het land leefbaarder te maken: ‘I´m available for the community. Het presidentschap? Ach, ik ken de geluiden. Die zul je altijd horen op het moment dat je je best doet. Maar zodra er een roofmoord komt en kort daarna nog een, ben ik degene die dat niet kan oplossen. In de politiek heb je altijd emotionele reacties. Iedereen richt zich op de korte termijn.’ [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
