Kuise carnavalsmis in Nuenen |
|
datum plaatsing |
19-02-07 |
medium |
Trouw |
auteur |
Marc van Dijk |
Kuise carnavalsmis in Nuenen Katholicisme Standplaats Noord Brabant Tot drie decennia terug moest de rooms-katholieke kerk in Nederland niets van carnaval hebben, maar vandaag de dag is het feest niet compleet zonder ’carnavalsmis’. In Nuenen was de kerk dit jaar weer stampvol met feestgangers. Hij lijkt zo weggelopen uit de Zwitserse garde. In zijn onberispelijke pak, compleet met glanzende steek en speer, begroet Ton Neijts elke bezoeker die de kerk betreedt. „Goedenavond Suisse”, zegt een kerkganger. „Alaaf! Zoekt u een plaatsje”, zegt de Suisse. „En zoudt ge uw hoofddeksel willen afnemen, voor o s’ lieve Heer?” „Natuurlijk Suisse.” Zijn inspanningen hebben weinig resultaat. Als de viering in de Clemenskerk begint, is die van de voorste tot de achterste rij gevuld met bont gekleurde hoofddeksels. De ruimte gonst op deze carnavalszaterdagavond van energie en verwachting; vier avonden feest liggen in het vooruitzicht. De Nuenense burgemeester W. Ligtvoet is weliswaar aanwezig in zijn boerenkiel, maar hij heeft deze dagen niets te zeggen. Vanochtend heeft hij traditiegetrouw de dorpssleutel overhandigd aan Zijne Dorstlustigheid, prins ’Onze Jan’, en aan de prinsen van de drie omringende kerkdorpjes die normaal onder zijn bestuur vallen. Tot komende woensdag zijn Jan en zijn adjudanten (’Inne’ en ’Nog Inne’) de baas, met hun gevolg de Raad van Elf, elf is het gekkengetal. De heerschappen zitten prominent vooraan, moeilijk te missen door de fazantenveren op hun steken. Twee leden van de Jeugdraad van Elf (het gevolg van de jeugdprins) zijn misdienaar. De meesten van hen komen ‘haast nooit’ in de kerk. Raadslid Guus Lippens (12) vindt het ’wel een beetje raar’. „Carnaval is toch om te feesten?”. Nuenenaar Jan Arts (35) treedt als prins in de voetsporen van zijn vader, die in 1966 ’prins Plasticanus’ was. Carnavalsvereniging De Dwèrsklippels, die de mis én de rest van het massale vierdaagse evenement organiseert, is opgericht in 1956. De geschiedenis van het carnavalsfeest in Nuenen gaat, net als in de meeste Brabantse dorpen, niet verder terug dan de jaren vijftig (zie inzet). „Ik ben één en al carnaval”, zegt de prins in de plaatselijke carnavalskrant. „Ons huisnummer is elf, ik ben geboren op de elfde van de elfde – waarschijnlijk verwekt tijdens carnaval.” Hij werkt bij een bedrijf dat industriële verpakkingen vervaardigt, met als grondstof hout. Daarom luidt zijn motto, dat de feestvierders moet inspireren: ’Het houdt niet op’. Carnaval gaat nu eenmaal altijd gepaard met woordspelingen. In overleg met de pastores is het motto voor de carnavalsmis vertaald als ’breken en delen, het houdt niet op’. En dus wordt er gezongen over solidariteit, en spreekt de prins het kerkvolk plotseling oprecht plechtig toe over het belang van samen delen en ‘verbonden zijn met elkaar’. De prins beveelt de collecte aan, voor de Stichting Leergeld, die ’ondersteuning biedt aan kinderen in armlastige gezinnen’. Ook de pastores, een priester en pastoraal werker die gebroederlijk samen voorgaan, refereren in hun licht verteerbare preek in dialoogvorm aan solidariteit en naastenliefde, zonder scherts of guitigheid. De blaasmuziek van carnavalsband ’De Blaospoepers’ schalt door de gewelven. Geen feestelijke krakers, maar instrumentale versies van recente ballads uit de hitlijsten, zoals ’Angels’ van Robbie Williams. Het klinkt heel stemmig en er wordt in stilte naar geluisterd, maar het verband met carnaval of kerk is niet erg helder. Dat laatste geldt ook voor een vrolijk Kinderen voor Kinderen-liedje van het plaatselijke kinderkoor, dat voor het eerst meewerkt aan de viering, geschminkt en al. Het is ook geen gemakkelijke opgave om carnavalsmuziek te vinden die door meligheid of platvloersheid niet doodslaat in een kerk. Carnavalskoor ’De Dwèrskwekkers’ heeft het opgelost door naast het eigen repertoire ook kerkelijke gezangen als Kyrie, Gloria, Sanctus in te studeren – gelukkig zonder er gekkigheid mee uit te halen. Bewonderenswaardig, maar ook niet bepaald carnavalachtig. Eén van de weinige liederen die de perfecte balans heeft, is het slotlied, het officieuze volkslied ’Het leven is goed in het Brabantse land’. Het wordt, anders dan de andere gezangen, hardop meegezongen en er ontstaat zelfs wat voorzichtige beweging in de massa. Veel carnavalsvierders vonden het net een tikkeltje té plechtig. Jac Coolen (58), zwart pak met kleine decoraties, zwart-witte slobschoenen: „Het is goed bedoeld hoor, maar het duurde veel te lang en het was te weinig carnavalesk. Maar ja, het moet tegenwoordig in de katholieke kerk weer allemaal zo vroom en braaf zijn.” Het is maar hoe je het bekijkt, want toen carnaval na de oorlog in Brabant opkwam, moest de kerk er aanvankelijk helemaal niets van hebben, vertelt Toon de Rooij (69), die als prins in 1985 de eerste carnavalsmis organiseerde. „In mijn jeugd werden we tijdens carnaval naar de kerk gestuurd voor het zogenaamde veertigurengebed. Dat begon op carnavalszaterdag. Moest je zo lang mogelijk bidden. Kwam weinig van terecht hoor. Maar als prins vond ik het belangrijk dat er juist wél weer een verbinding kwam tussen carnaval en kerk. Het is goed om vóór al dat gefeest even ruimte te maken voor bezinning.” Het blijft zoeken naar de juiste vorm. Wijlen pastoor Gerrits, zelf fanatiek carnavalsvierder, was een natuurtalent. Hij liet zich tijdens de mis bellen op zijn mobieltje, en hield vervolgens live een telefoongesprek met God. Een act waar nu nog over gepraat wordt. „In Eindhoven is de carnavalsmis één grote braspartij. Dat willen wij niet”, zegt Jon van Hoeckel, oprichter van het carnavalskoor. Je moet er vooral ook niet te gewichtig over doen. De carnavalsmis is anno 2007 vergelijkbaar met de kerstviering, vindt pastoraal werker Jos Deckers. „Mensen vinden de mis erbij horen, het feest is niet compleet zonder de kerk.” Een flink deel van de kerkgangers duikt na de viering direct de kroeg in, waar het feest kan beginnen, of: doorgaan. Koorlid Lucienne Duraiy: „Carnaval is zo veel meer dan zuipen. Carnaval vier je samen.” Zie voor deze en vorige afleverigen: www.trouw.nl/standplaatsbrabant Veel carnavalsgangers komen anders zelden of nooit in de kerk Carnavalsmis in Nuenen: ’Het moet tegenwoordig vroom en braaf zijn’. Carnaval: Piepjong feest met ‘oeroude’ wortels Het huidige carnaval met de bijbehorende rituelen is relatief jong, hoewel men in de Middeleeuwen al sprak van de ’vastenavondviering’: aan de vooravond van de vastentijd (die voorafgaat aan Pasen) vierden de mensen nog één keer luidruchtig feest met veel spijs en drank. De zevende zondag vóór Paaszondag is carnavalszondag. De vele Prinsen Carnaval nemen op carnavalszaterdag of -zondag voor drie dagen op rituele wijze de macht van de burgerlijke autoriteiten over in dorpen en steden en vieren met hun ’onderdanen’ de tijdelijke vestiging van hun narrenrijk. Carnavalsvierders verkleden zich en nemen in een driedaagse carnavalsroes bezit van de straat en de cafés. Op één van de carnavalsdagen trekt de optocht door de straten, de zegetocht van Prins Carnaval. En op carnavalsdinsdag rond middernacht wordt in veel plaatsen in een collectief afsluitingsritueel afscheid genomen van het narrenrijk en zijn Prins. Carnavalsmascottes en symbolen worden dan verbrand, begraven of verdronken. Op aswoensdag wordt het dagelijkse leven weer opgepakt. De machtsovername van Prins Carnaval wordt grondig voorbereid, door de vele carnavalsverenigingen in Nederland. Het ‘voorseizoen’ begint al op 11 november (de elfde van de elfde). Prins Carnaval verschijnt alvast ten tonele, in publieke zittingen worden de burgerlijke autoriteiten op de korrel genomen, een carnavalslied wordt tot volkslied van dat jaar gekozen en de carnavalsstemming wordt opgebouwd. Er zijn twee historische visies op het carnavalsfeest. Volgens de eerste is het een van oorsprong heidens lentefeest. Koning Winter moest verdreven worden en ruim baan maken voor de Vruchtbaarheid. In de middeleeuwen zou de katholieke kerk dit heidense feest gekerstend hebben en opgenomen in de liturgische jaarkalender. Volgens de tweede theorie was de rooms-katholieke kerk de initiatiefnemer. Zij zou het feest in de Middeleeuwen hebben ingesteld om de drempel naar de vastentijd te verlagen. Carnaval was een ‘anti-schepping’, die de afkeuring van een leven met een puur aards karakter moest opwekken. Door de mensen enkele dagen heel concreet en aanschouwelijk te tonen én te laten ervaren wat het betekent als de duivel, heksen, narren, de anti-christ en het eigenzinnige in de mens regeren, had het feest een opvoedende functie voor de zogenoemde 'gewone gelovigen'. In de zestiende eeuw kwam in Nederland een eind aan de openbare en massale carnavalsviering, vooral door de Reformatie. De vastenavond werd als een 'Roomsche superstitie' beschouwd, en met verboden de kop in gedrukt. Maar ook in het katholieke zuiden nam de deelname aan het feest af. Met uitzondering van een aantal plaatsen in Limburg en Noord-Brabant waar in de negentiende eeuw de organisatie van carnavalsvieringen weer werd opgepakt, is de overgrote meerderheid van de carnavalsverenigingen opgericht na de Tweede Wereldoorlog. [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
