De Brabantse reizen van een fervent papenhater |
|
datum plaatsing |
17-03-07 |
medium |
Trouw |
auteur |
Marc van Dijk |
De Brabantse reizen van een fervent papenhater Dominee Hanewinckel gold als een fervent papenhater. In drie boeken beschreef hij zijn reizen door Brabant, waar hij vol afgrijzen rondkeek. Nieuw onderzoek nuanceert het beeld. Als geïnteresseerde in de geschiedenis van Brabant kon hij niet om de man heen. Steeds weer stuitte de Breugelse docent levensbeschouwing en godsdienstwetenschapper Frank Meijneke (42) op de predikant die ruim tweehonderd jaar geleden als een genadeloze observator door de ’paapse provincie’ trok: Stephanus Hanewinckel. Dat de ’roomschen’ zelfs gebeden prevelden op hun werk, dat ze de tijdsduur van twee onzevaders gebruikten om te bepalen of hun gekookte eitje gaar was; hoe een priester zich in zijn preek verloor in het beschrijven van de wreedheid van de kruisiging (’het bloed en de hersenen sprongen eruit’). Hanewinckel zag en hoorde het, en schreef het op. Meijneke: „Hij was dominee, verlichte geest, schrijver en veldonderzoeker avant la lettre. Al droeg hij een sterk gekleurde bril, zijn werk biedt een ongekende schat aan informatie over de Brabantse volkscultuur en de toenmalige verhouding tussen katholieken en protestanten.” Zijn belangrijkste werken zijn het tweedelige brievenboek ’Reize door de Majorij van ’s Hertogenbosch’ (1798 en 1799) en ’Gedachten over de Meiërij van ’s Hertogenbosch’ (1801). De ’majorij’ is de Meierij, een gebied dat in de Middeleeuwen namens de hertog van Brabant bestuurd werd door één functionaris, de meier. Simpel gezegd: Den Bosch en wijde omstreken, oost-Brabant. Hanewinckel liet zijn boeken uitgeven zonder zijn naam eraan te verbinden. Daar kun je je iets bij voorstellen als je ze leest – hij zal er in bepaalde kringen op z’n zachtst gezegd niet geliefd door zijn geworden. Neem zijn uitspraak over de inwoners van de ’Meierij’: „De Meierijenaars (ik bedoel de Roomschen) zijn zo verslaafd aan oude gewoontes, dat zij geene verandering, al is zij nog zo goed, willen maken.” De Reizen en de Gedachten werden in 1973 opnieuw uitgegeven in één band (een facsimile-editie), maar die is alleen nog antiquarisch verkrijgbaar, voor een flinke prijs, want nog steeds is de naam Hanewinckel bekend, en zelfs enigszins omstreden. Toch was er nog nooit fundamenteel onderzoek gedaan naar Stephanus Hanewinckel. Frank Meijneke, zelf rooms-katholiek, besloot op het leven en werk van de hervormde predikant te promoveren aan de Universiteit van Amsterdam. Bij zijn onderzoek, waaraan hij nog werkt, ontdekte hij in archieven en bij particulieren onder andere een geschilderd portret van de verlichte zuurpruim en ruim honderd tot nu toe onbekende brieven, gedichten en andere documenten van zijn hand. Stephanus Hanewinckel (1766-1856) werd geboren in het Brabantse Nuenen, als zoon van een dominee. Zijn geboortehuis was de deftige hervormde pastorie, die een ruime eeuw later zou worden betrokken door de familie Van Gogh. In de achtertuin had Vincent korte tijd een provisorisch atelier. Hanewinckel studeerde theologie in Groningen en keerde daarna terug naar Brabant, waar hij in verschillende dorpjes predikant was. In die tijd en in zijn jeugd moet hij al inspiratie hebben opgedaan voor zijn latere reisboeken, denkt Meijneke. Want toen hij zijn reisverslagen schreef, woonde hij in Oost-Grafdijk (Noord-Holland). Waarom deed hij eigenlijk zoveel moeite de Brabantse steden en dorpen af te reizen en de volkscultuur uitputtend te beschrijven, terwijl hij zelf al vertrokken was? Meijneke: „Na de Franse invasie van 1794 kwam in Brabant een einde aan de situatie van vredige en redelijke omgang tussen katholieken en protestanten. Ineens ontstonden er overal religieuze conflicten en hier en daar ging dat met geweld gepaard.” De Reformatie had in Brabant überhaupt nooit echt de harten kunnen veroveren, behalve dan in enkele enclaves, zoals het land van Heusden en Altena en dorpjes op de West-Brabantse zandgronden. Maar het protestantisme was sinds de zeventiende eeuw wél de van staatswege bevoorrechte godsdienst. Katholieken mochten hun geloof niet in het openbaar beleven. Meijneke: „Eind achttiende eeuw kwam daar door de komst van de Fransen verandering in: er werd godsdienstvrijheid afgekondigd. Daardoor kwamen de tegenstellingen meer dan ooit op scherp te staan. Katholieken gingen kerkgebouwen terugeisen die de protestanten in gebruik hadden genomen – in hun ogen waren de kerken ’ontwijd’ door de ketterse gebruikers.” Noordelijke protestanten zoals Hanewinckel maakten zich ernstige zorgen over de ontwikkelingen in Brabant. „De protestanten werden getreiterd en soms gewelddadig bejegend. Hanewinckel beschrijft hoe luidruchtige katholieken de protestantse eredienst verstoorden, ze gooiden bijvoorbeeld stenen door de kerkramen. De schrijver was bang dat dit ook in andere delen van het land zou gaan gebeuren nu de katholieken weer zelfvertrouwen begonnen te krijgen.” Maar Hanewinckels werk is niet alleen een pamflet, maar ook een apologie, een geloofsverdediging. Meijneke: „Hanewinckel kon niet begrijpen dat een ’heidens geloof’ als het katholicisme maar door kon blijven etteren. Het moest met wortel en tak worden uitgeroeid. Voor protestanten moest zijn boek een waarschuwing zijn: hou die papen eronder. Tegen katholieke lezers wilde hij zeggen: ook voor jullie is er nog hoop, als jullie bereid zijn die hele santenkraam van bijgelovige poespas op te geven en eindelijk jullie gezonde verstand gaan gebruiken.” Dat is op het eerste gezicht een tamelijk platte en weinig constructieve boodschap, erkent Meijneke. „Hij vindt de katholieken dom en onverdraagzaam, maar zelf is hij minstens zo intolerant en vooringenomen.” Wat maakt zijn werk dan toch zo lezenswaardig? „Hij is oprecht en wil het beste voor zijn medemens. Hij denkt en schrijft vanuit een verlichtingsideaal – dat was in die tijd overigens helemaal niet in strijd met gelovig zijn – hij wil zoveel mogelijk vragen toetsen aan het verstand en de eigen verantwoordelijkheid. Geloof was in zijn ogen alleen zuiver als het bijbels gefundeerd was.” Een voorbeeld: als Hanewinckel de Eindhovenaren heeft afgeserveerd als praalzuchtig, bijgelovig en ’onkundig’, kortom ’volmaakte Brabanders’, schrijft hij dat hij zelf ook graag een ’gunstiger omschrijving’ van ze had gegeven, net als van de Helmonders, de Bosschenaren en de andere Brabanders. „Gaarne wilde ik, als Menschenvriend, U een gunstiger tafereel van de Meierijenaars ophangen, doch de liefde tot de waarheid verbiedt mij dit.” Hanewinckels niet zelden komische, schijnbaar ironische schrijfstijl zorgt ervoor dat je als lezer niet gauw afhaakt. Meijneke: „Hij wordt wel met Reve vergeleken, en daar kan ik me zeker iets bij voorstellen. Hij provoceert op literaire wijze. Anders dan de verlichtingsfundamentalisten van vandaag de dag had hij humor. Uit de tot nu toe ongepubliceerde brieven en gelegenheidsgedichten komt hij bovendien naar voren als een warme persoonlijkheid. Het was een man met wie ik zeker eens een kop koffie zou willen drinken.” Uit zijn overige geschriften blijkt dat ’de papenhater’ gedurende zijn leven steeds milder is geworden. „Na zijn reisboeken heeft hij nooit meer antipapistische stukken gepubliceerd. Wel gaat hij tot zijn dood door met het beschrijven van katholieke gebruiken, maar dan zonder afkeurend commentaar toe te voegen. Hij geldt als de eerste etnoloog van Brabant, de eerste die de gebruiken en rituelen van het volk vastlegde.” Hij stierf als negentigjarige in Ravenstein. Eén van zijn veertien kinderen, Johan Hendrik, bleef ongetrouwd en was de laatste Hanewinckel in een domineedynastie die tweehonderd jaar bestond. Een volksschrijver is Hanewinckel overigens nooit geworden. Onder katholieken vonden zijn boeken om begrijpelijke redenen weinig aftrek, maar onder protestanten evenmin. Komend najaar verschijnt bij uitgeverij Nieuwland een heruitgave van de reisboeken van Stephanus Hanewinckel, waaraan ook Frank Meijneke medewerking verleent. Trouw peilt het hedendaagse geloof in het land van Philips en Van Gogh, Aflevering 20. Zie voor deze en vorige afleveringen: www.trouw.nl/ standplaatsbrabant ’Anders dan verlichtingsfundi’s had hij humor’ Frank Meijneke Franse invasie zette tegenstellingen in Brabant op scherp De traditionele inzegening van een auto op het plein van de Sint Janskerk in Hoeven. De papenhater schuilt voor onweer Een fragment uit het brievenbowek ’Reize door de Majorij van ’s Hertogenbosch’, ingekort en herspeld: „Van Eindhoven ging ik naar Valkenswaard. (…) Het was vervelend heet, ik ging dus maar kruipende voort, doch toen ik ruim één groot uur had afgelegd, kwam er een zwaar onweer achter mij aanzetten, ik hoorde reeds den donder van verre achter mij rommelen. Ik bleef staan, geheel vervuld met eerbied voor den God der ere, die dondert, om het te beschouwen, doch eindelijk moest ik, wilde ik niet door en door nat worden, mij met verdubbelde schreden voortspoeden. Ik kwam bij een ellendig, langs de weg staand, hutje; hier verzocht ik, wijl het reeds sterk regende, ene schuilplaats, en deze wierd mij ook vergund. Het donderen nam hand over hand toe, de bewoners der hut zaten van vrees te beven.Toen het onweder zo sterk wierd, nam de vrouw een potje met wijwater, ging in den sterksten regen naar buiten, en besprenkelde de vier hoeken der hut, kruiswijze. Ik vraagde waarom zij dit deed, en het antwoord was: „De duivel kan ons nu geen kwaad meer doen, al dondert hij nog zo sterk.” Steeds als het bliksemde, tekenden zich alle huisgenoten met een kruis, de man las in een allerkleinst boekje, hetgeen hij noemde: Sint Jans Evangelieke; het bevatte slechts enige versen uit Johannes I. Dit ook was goed bij onweder. De vrouw verwonderde zich, dat ik geen kruis maakte, en zeide: „Waarom doet Gij dit ook niet? Of zijt Gij Geus, dit zou ik niet hopen!” Mijn antwoord was: „Ik denk dat, als hier een ongeluk moest komen, mij dit niets helpen zou. God die dondert, en die zal mij bewaaren, dus zal de duivel, want die kan niet donderen, mij geen schade doen, ik vrees den duivel niet; en als deeze hut bewaard is door gewijd water, wat behoeft gij dan bevreesd te zijn, dan kan ’er immers geen kwaad aan’?” Dit begonnen zij ook te begrijpen, en zij schenen zich over hun bijgeloof of ongeloof te schamen. Eindelijk hield het op, ik bedankte deze arme bijgelovige menschen voor hunne huisvesting, gaf hun wat, zeggende: „Zie daar, dit geeft u een Geus!” Dit trof hen. Ik ging heenen. De lucht was nu geheel verkoeld, het losse zand was vast geregend, en de gansche Schepping scheen verjongd te wezen.” [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
