Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



Het heilige is niet een monopolie  van  de kerk

Het heilige is niet een monopolie van de kerk


datum plaatsing

05-05-07

medium

Trouw

auteur

Marc van Dijk


STANDPLAATS NOORD BRABANT

Het heilige is niet een monopolie van
de kerk

Bijzonder hoogleraar Gerard Rooijakkers, gespecialiseerd in Brabantse volkscultuur, volgde de serie Standplaats Noord-Brabant in Trouw. Aan het slot ervan uit hij scherpe kritiek op de katholieke kerk, met name in het bisdom Den Bosch.

De berichten over de rooms-katholieke kerk in Brabant, over rechtlijnige pastoors die vrijwilligers van de kerk vervreemden (Waalwijk, Den Bosch-Oost, Tilburg-West), doen onderzoeker Gerard Rooijakkers denken aan een historisch moment dat in zijn woonplaats het einde van het rijke roomse leven markeerde, ruim vijftig jaar geleden.

Op zondag 12 juli 1953 trokken tweeduizend katholieken door de straten van ’s Hertogenbosch, in de zogenaamde Maria-ommegang. Het dertiende-eeuwse Mariabeeldje uit de Sint Janskathedraal werd meegedragen en door tienduizenden toeschouwers bewonderd.

Rooijakkers: „Het hele gebeuren had vóór 1953 altijd een rommelig karakter gehad. Er klonken allerlei ’muziekskes’, sommige deelnemers glipten de kroeg in en uit.
Een soort religieus carnaval.”

De kerkleiding vond dat het afgelopen moest zijn met die wanorde. „Plechtig, eerbiedig en ordelijk moest het voortaan verlopen. Men gaf twee kunstenaars, Marius de Leeuw en Luc van Hoek, de opdracht om de stoet geheel opnieuw vorm te geven. Daar werd in de stad op grote schaal voor gecollecteerd. Zeventien naaiateliers werkten gedurende twee maanden gelijktijdig aan het vervaardigen van de moderne kostuums.”

Op de dag zelf was de stad overvol, maar opmerkelijk stil. „De muziekgezelschappen die van oudsher de ommegang opluisterden, moesten hun plaats afstaan aan kleine muziekgroepjes met een sober repertoire. De stilte werd gecompenseerd door kleurenpracht en wierookgeur.”

In de stilte moet één geluid bijzonder zijn opgevallen: een ritmisch getik dat via luidsprekers overal bovenuit klonk. „In de toren van de Sint Jan had men een metronoom, een apparaat dat zuiver de maat aangeeft, voor een microfoon geplaatst. Op de Parade, het plein waar de stoet geformeerd werd, moest iedereen op die maat gaan lopen.

Na afloop van de ommegang hield de aartsbisschop van Mechelen een toespraak. Hij stelde dat de Bossche ommegang de twee bijzonderste kenmerken van de rooms-katholieke kerk toonde: ’het episcopaat en de goddelijke moeder maagd’. Ongelooflijk hoe die bisschoppen zichzelf als het centrum van de wereld beschouwden. Alsof de gelovigen niet Maria, maar hén vereerden.”

Hoewel de Maria-ommegang-nieuwe-stijl door de pers unaniem lovend werd ontvangen, bestond er volgens Rooijakkers na 1953 zowel bij deelnemers als publiek vrijwel geen animo meer voor. De frequentie van de stoet nam af. Na tien jaar verdwenen de dure kostuums in een depot, om er nooit meer uit tevoorschijn te komen. De ommegang bleef bestaan, maar enkel als een sobere bidprocessie.

Gerard Rooijakkers: „De kerkleiding wilde een plat volksevenement vermijden, maar ironisch genoeg werden de gelovigen in de nieuwe opzet gedegradeerd tot passieve buitenstaanders. De nieuwe Maria-ommegang was wel degelijk een rooms-katholieke show geworden, zij het niet zozeer ván maar voor het gelovige volk.”

Waarin vertoont deze geschiedenis volgens u parallellen met de huidige situatie in katholiek Brabant?
„De dynamiek van religie ontstaat dankzij de wisselwerking tussen communitas en structuur. Communitas is de geloofsgemeenschap, het gevoel van verbondenheid. Het ritueel zorgt voor structuur. Maar die structuur moet niet te star worden, dan verliest het ritueel zijn betekenis voor de gemeenschap. De gemeenschap moet als het ware een beetje kunnen spelen met de rituelen; er moet ruimte zijn voor improvisatie, relativering, initiatief van onderaf.

De Bossche ommegang sneuvelde doordat juist de volkse elementen werden uitgebannen ten gunste van een meer abstracte en elitaire vormentaal: gewijde harmonie in de plaats kwam van kakofonie. Dat resulteerde uiteindelijk in een oorverdovende geseculariseerde stilte.

In katholiek Brabant gebeurt nu iets vergelijkbaars: de structuur is in de kerk dominant. Dat is goed te zien aan de strikte liturgie. Daar mag absoluut niet mee gespeeld worden. Een begrafenis mag niet te persoonlijk zijn, er mag geen muziek van Frans Bauer gedraaid worden. De liturgiewerkgroep krijgt minder bevoegdheden. Het tafelgebed moet precies uitgesproken worden.

De spelelementen komen in het gedrang. Als ze worden verwijderd, ontstaat er een hol ritueel waar mensen geen verbondenheid meer aan kunnen ontlenen.”
Heeft de kerk niet het recht om haar eigen traditie te bewaken?
„Natuurlijk wel. De kerk moet kaders stellen. De kerk wil geen afhaalchinees zijn, waar mensen alleen komen als het ze uitkomt, en waar ze alles kunnen bestellen wat ze willen. En vrijwilligers kunnen knap lastig zijn;
ze menen vaak bepaalde rechten te ontlenen aan het feit dat ze zich onbetaald inzetten.

Maar een gezond ritueel kent een cyclische dynamiek tussen structuur en spel. Wanneer de rituele structuur overheerst, gaan mensen meer spelelementen inbrengen om dat weer te relativeren. En als het te veel spel wordt, volgt er een correctie in de andere richting. In Brabant is dat proces totaal verstoord.

De metronoom die in 1953 vanaf de Sint Jan tikte, staat nu in het bisschoppelijk paleis, en is via de clerus in alle parochies hoorbaar.”
Sinds wanneer is dat zo?

„Het proces is al heel lang gaande. Er is een enorme verdeeldheid onder de geestelijkheid, tussen de oudere en de jongere generaties. Het Bossche Sint Janscentrum, waar de huidige bisschop Hurkmans (Den Bosch) rector is geweest, is daarvan één van de belangrijkste veroorzakers. De pastoors die het afgelopen half jaar met conflicten te maken kregen in hun parochies, komen daar vandaan. Het zijn de brokkenpiloten van Hurkmans.”

Is het ooit anders geweest?
„Ten tijde van het rijke roomse leven was er een enorm speelveld. De morele metronoom tikte toen misschien harder, maar daar stond tegenover dat er ook ongelooflijk veel humor en relativering bestond, ook bij de geestelijken onderling. Die humor fungeerde als een ventiel, dat op zichzelf de orde alleen maar opnieuw bevestigde.

Bovendien was de ogenschijnlijk ijzeren greep van de kerk in die jaren veel minder sterk dan nu wordt gedacht.

Katholieken bewandelden altijd al hun eigen alternatieve wegen.
Die ruimte is helemaal weggevallen.

Tegenwoordig is de enige ontsnappingsmogelijkheid: niet meer naar de kerk komen. Ook een andere balans is namelijk al tijden verstoord: die tussen de drie dimensies van geloven. Dat zijn: het intuïtieve geloof, bijvoorbeeld mystieke ervaringen, de sociale geloofsbeleving, zoals kerkgang, en het reflectief-biografische geloof, de persoonlijke verwerking van al die ervaringen.
Vroeger zag men deze drie vormen ten onrechte hiërarchisch: vanuit het intuïtieve groeide de gelovige via het reflectieve naar het hoogst haalbare, het kerkelijke geloof. Vandaag de dag zie je deze dimensies afzonderlijk wel voorkomen, vooral de intuïtieve is sterk vertegenwoordigd, zie het ietsisme. Maar er is geen sprake van uitgebalanceerde verwevenheid.

De kerk verliest haar functie van grensgebied waar kan worden geëxperimenteerd met wensen, gedachten en gevoelens. Dat is een gemiste kans, want de behoefte aan spiritualiteit en rituelen is anno 2007 onverminderd groot. De kerk zou zich geen betere conjunctuur kunnen wensen.”

Wat is de voornaamste fout van de kerkleiding?
„Ik verwijt bisschop Hurkmans dat hij zijn pastoors onvoldoende toerust voor hun zware pastorale taken in de parochies. Ze worden geselecteerd op orthodoxie, niet op communicatieve en sociale vaardigheden. Op het seminarie lijken ze te leren dat ze overal verstand van hebben omdat ze priester zijn. Dat is het oude idee van sacraliteit. Terwijl ze de deskundigheid van parochianen veel meer zouden kunnen benutten.

Een breder probleem is de wijze waarop de rooms-katholieke kerk omgaat met de sacramenten, vooral de eucharistie.

Priesters worden de laatste jaren weer een soort tovenaars, die als exclusieve bedienaren van de sacramenten een magisch monopolie claimen.

Ten diepste vindt de huidige kerkleiding dat het heilig brood een zuivere materie is, die voortdurend bezoedeld en bedreigd wordt door het wereldse leven en door lekenhanden. Dat is een soort hygiënistische opvatting van heiligheid. Het heilige wordt losgezongen van de wereld. Terwijl het heilige evengoed besloten ligt in het rommelige, alledaagse. Als je het wereldse ziet als een bezoedeling van het heilige, beroof je het van een essentiële kwaliteit. De kerk moet van die smetvrees af.

Nog kwalijker is het dat de sacramenten weer als dwangmiddel worden gebruikt. Dat gebeurde vroeger met de biecht, als mensen ’het schuifje kregen’. Dan werd in de biechtstoel het schuifje dichtgeschoven zonder dat vergeving van zonden was gegeven. Dat was verschrikkelijk, want dan bleef de zondaar afgesloten van het eeuwig heil. Het niet willen toedienen van sacramenten is een vorm van religieus geweld.

Dat komt opnieuw voor, bij huwelijken, begrafenissen, communiegang. Mensen wijken dan uit, regelen een andere priester. Of ze trouwen alleen voor de burgerlijke stand.

Religie is, anders dan de rooms-katholieke kerk nu uitdraagt, niet iets wat alleen in de kerk en volgens de heilige regels kan plaatsvinden.

Gelukkig laat het heilige zich niet monopoliseren. Mensen gaan ermee op de loop, of liever gezegd: het heilige gaat met de mensen op de loop.”
Dit is het slot van deze serie. www.trouw.nl/standplaatsbrabant
Maria-ommegang. „Verdeeldheid onder geestelijken komt door Hurkmans’ brokkenpiloten.”

Wie is Rooijakkers?
De Bosschenaar Gerard Rooijakkers (1962) is volkskundige en cultuurhistoricus. Hij is bijzonder hoogleraar etnologie aan de Universiteit van Amsterdam en onderzoeker aan het Meertens Instituut. Rooijakkers promoveerde in 1994 op een onderzoek naar historische volkscultuur in Noord-Brabant, ’Rituele repertoires’.

In Rome deed hij onderzoek in de Vaticaanse archieven. In 2002 ontving Rooijakkers de Oeuvreprijs voor de Geesteswetenschappen van het Prins Bernhard Cultuurfonds. Sinds 2006 is hij kroonlid van de Raad voor Cultuur.
[ < terug ]

aanverwante artikelen: