‘Ik ben een tegenstem’ |
|
datum plaatsing |
06-03-2008 |
medium |
Trouw |
auteur |
Marc van Dijk |
De nieuwe poëziebundel van Huub Oosterhuis is zeer autobiografisch. Maar tegelijkertijd is ‘Wie bestaat’ te lezen als een zoektocht naar God. Priester-dichter Oosterhuis kijkt terug op zijn ‘opdracht’. Huub Oosterhuis: „In mei en juni ’45 werd de bevrijding in Amsterdam uitbundig gevierd, overal in de stad waren buurtfeesten. Ik was elf. Ik heb in onze buurt een optocht georganiseerd. Ik had een invalide vriendje, die ging mee in een karretje. Dat karretje noemden wij de gouden koets. Zelf was ik zo ongeveer de grootste. Dus nou ja, de vlag voorop, die droeg ik. Maar ik had ook wel door dat het achter mijn rug misschien niet goed zou lopen. Dus ik had een spiegel bij me, waarin ik de stoet kon blijven zien, een achteruitkijkspiegel.” Zondag Op ronde wielen door zonovergoten velden gleed ik naar de afgesproken plaats waar ik de woorden zou geven. Vrolijk keerden de gekomenen huiswaarts. Op vierkante wielen schokte ik terug naar de spelonk waar ik de woorden ontvang. „De dichter moet de woorden mens en god, die hij vindt in de taal, genezen van misverstand. Dat is wat ik in mijn theologische en liturgische werk geprobeerd heb. Om God tot een onverwisselbare naam te maken in de geest van de Bijbel. Ik denk wel dat dichterschap, maar ook vaderschap, eenzaam maakt. Dit is misschien mijn laatste bundel. Je weet het nooit, maar die toon heeft hij. De vrije poëzie heeft het nu wel gezegd. Maar ik hoop in elk geval ‘dat wie nog nooit gehoord heeft nu zal horen’. Dat doen ze toch allemaal, de Ramses Shaffy’s of hoe heten ze: nog één keer de bühne op en hun beste liedjes zingen. Ik hoop dat het dichterbij is. Dichterbij mensen, herkenbaarder. Mijn vroegere werk is toch vaak wat ingewikkeld en hooggestemd. De psalmen houden me bezig. Ik heb er nu op mijn manier 53 van de 150 ‘vrij’ vertaald. Een manier van vrijzinnig lezen en weglaten wat je niet aankunt, eventueel tegenstemmen erin stoppen, en soms juist heel stringent de tekst volgen. Mijn Hebreeuws stelt niets voor. Maar ik heb zo lang met die psalmen geleefd en met exegeten gepraat, ik weet wel wat er staat. Ik ken ook de gevoelswaarde van de woorden. Maar ja, je inleven in al die verschillende dichters die de psalmen hebben gemaakt, dat vergt veel. Het is bijna toneelschrijven. Personages ontdekken. Ik wil ze alle 150 doen. Misschien gaat al mijn lyrische energie daar de komende jaren wel in zitten.” Altijd blijft het wie, zoals jij over God zei. „Dat is een zinnetje van prins Claus. Ik las hem psalmen voor. Onder andere psalm 8. 'Heer onze Heer, hoe machtig is uw Naam allerwegen op aarde.’ Dat vond hij mooi. Maar dan zei hij: ‘Het blijft toch altijd wie.’ Toen heb ik een nieuwe bewerking gemaakt van die psalm. ‘Onbegonnen naam onnoembaar wie’. Zoals ik ook in psalm 23 een kleine nuance heb aangebracht na gesprekken met hem. ‘Moet ik gaan door het dal van de dood, ik zal niet bang zijn, want jij bent bij me’, staat er in het Hebreeuws. Claus zei: ‘Ik ben wel bang.’ Toen heb ik ervan gemaakt: Moet ik de afgrond in, de doodsvallei ik zal bang zijn, ben jij naast mij ik zal niet doodgaan van angst. ‘Ik zal niet bang zijn’, stel je niet aan, psalmdichter!” Opgestaan van het hout de helling afdalend wist ik: nooit meer een oogwenk een woord tussen ons. Nooit meer een vuur dat een vuur is een brood dat van brood is een woord dat dit woord is nooit meer een god die bestaat. „Het is de allervreemdste en meest verwarrende passage van de Bijbel: het offer van Abraham. Het heeft me van jongs af aan beziggehouden. Het verhaal werd ons als een toegepaste metafoor voorgehouden; je werd priester – dan offerde je je kinderen. Je zou geen zoon hebben. Dat was de interpretatie. Geen juiste interpretatie, dat gevoel had ik toen ook al. Hoe moet het geweest zijn, voor die jongen op het hout? En voor Sara? Er bestaan in de joodse traditie van midrasj en Talmoed talloze verbeeldingen van. Als je de Bijbel goed leest, zie je dat die jongen verdwijnt. Abraham gaat niet met hem terug. En even later gaat Sara dood, en komt Abraham naar de plaats waar zij gestorven is. Dus die twee wonen niet meer bij elkaar, die zijn gescheiden. Gewoon uit elkaar gegaan, na dit. Natuurlijk! Die vrouw dacht: hij is gek geworden. Goed, Abraham komt tot inkeer. Maar hij was bereid. En daar wordt hij ook voor gezegend. Dat is de draai. Abraham heeft zijn verleden opgegeven, hij is weggetrokken. En nu moet hij ook nog zijn toekomst opgeven: zijn zoon. De protestantse theoloog Miskotte heeft er iets moois over gezegd: ‘De toekomst loslatend, houdt hij de God der toekomst vast.’ Die Naam die in het futurum staat, in de toekomende tijd. Ik zal.Dat is de betekenis van het verhaal, dat klopt wel. In La Storta, een gehucht ten noorden van Rome, ontving Ignatius van Loyola een visioen, waarin hem duidelijk werd wat hem te doen stond: de stichting van de jezuïetenorde. Ik heb nu mijn eigen visioen van La Storta beschreven. Ik aanschouwde de God Vader die mij had gezien van verre – hoe hij stak met zijn duizend meter lange armen naar de aarde en mij vastgreep bij mijn oren – en daar stond ik aan de zijde van zijn zoon die mij omarmde als een broer van vlees en bloed. En ik wist: dit is voortaan mijn leven en ik sliep onstuimig droomde dat ik werd geboren in een mandje neergelegd weggedreven opgevangen in brokaten meisjesarmen. En ik sliep die nacht godzalig dromend dat ik na mijn dood voor de vogels werd geworpen en de honden – als oud brood. „Dromen en dichten liggen voor mij dicht bij elkaar. Je verbeeldingskracht krijgt de ruimte. In dromen gebeuren ook dingen die je volstrekt niet kunt bedenken. Ik heb vroeger ontzettend veel dromen opgeschreven, meteen als ik wakker werd. Nu niet meer. Maar je dromen zijn bronnen, wenken, dat heeft de psychoanalyse ons natuurlijk geleerd. Je moet ze leren verstaan. Je moet ze zelfs leren onthouden. Tot twintig jaar geleden droomde ik altijd van lege ruimtes. Marmeren trappen, lege zwembaden, grote zalen. Ik hoorde wel mensen, maar er was niemand. Tegenwoordig zijn er altijd mensen, menigten. Het stikt ervan. Maar wat ik met die mensen moet, dat kan ik niet. Zo’n droom heb ik regelmatig. Ik moet iets verhuizen, ik moet ergens doorheen, iets oversteken. Maar ik kan het niet. Mijn kritiek op Rome komt niet in mindering op alles waar ik voor sta. Ik ben niet van mijn geloof gevallen. Ik doe ongeveer hetzelfde als wat Ignatius van Loyola deed met de pausen van de Renaissance, ik ben een tegenstem. Hij stichtte de jezuïetenorde om die kerk die op instorten stond, te redden. Ik had het anders gedaan, maar goed. Hij kreeg een visioen en wist: ik moet dit doen. Maar toen hij in Rome aankwam, zag hij dat de vensters gesloten waren. Ze moesten hem niet. Ik heb me mijn identiteit niet laten afnemen. Priesterschap is mijn identiteit, net als dichterschap en vaderschap. Die dingen horen bij elkaar. Daarom laat ik me ook nooit gezeggen dat ik ex-priester ben. Ja, het is een beetje flauw om dat altijd door te strepen als mensen dat ergens opschrijven, maar ex-priester, hoezo? Ik ben ontslagen uit de jezuïetenorde. Maar ik heb mijn wijding tot priester nooit teruggegeven. En – misschien verbazingwekkend – dat is ook nooit van me gevraagd. Ze houden je voor ex-priester, voor je dode broer. Maar ik ben er nog. Vastbesloten een jongeman te worden.” Huub Oosterhuis: Wie bestaat – nieuwe gedichten. Uitgeverij Ten Have, 110 pagina’s plus cd; 19,90 euro. ISBN 978-90-259-5858-9; presentatie vanavond om 19u30 bij Selexyz Dominicanen te Maastricht. Beluister de besproken fragmenten, voorgelezen door Oosterhuis, op trouw.nl/meer! Huub Oosterhuis: „Ik doe ongeveer hetzelfde als wat Ignatius deed.” Huub Oosterhuis twaalfde 'vrije' poëziebundel is autobiografisch De Amsterdamse priester-dichter Huub Oosterhuis (1933) staat vooral bekend om zijn liturgische liederen en gebeden, in zijn Verzameld Liedboek (2004) staan er zo’n vijfhonderd. Maar voordat hij een kerklied gepubliceerd had, debuteerde hij in 1961 als dichter met de bundel Uittocht. Daarna volgden nog tien bundels. Oosterhuis’ vrije poëzie bevat dezelfde thema’s als zijn liturgische werk en staat vol religieuze en bijbelse verwijzingen. „Het verschil zit in de toon”, zegt Oosterhuis. „Verreweg de meeste van deze gedichten zijn niet om te zingen. De strekking is meestal autobiografisch. In deze bundel staan onder meer gedichten voor zijn kinderen Tjeerd en Trijntje, voor zijn kleinkinderen en voor zijn overleden vader en broer. En een opmerkelijk intieme cyclus over prins Claus, een biografie in acht gedichten. Het onderscheid tussen Oosterhuis’ liturgische en vrije poëzie is steeds minder nadrukkelijk. Voor het eerst plaatst hij in deze bundel enkele liturgische teksten tussen zijn ‘vrije’ gedichten. Bovendien verschijnt de bundel bij Ten Have, de uitgeverij die ook zijn liturgische werk publiceert. [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
