‘Goed nieuws: de kinderen zijn in de hemel’ |
|
datum plaatsing |
01-11-08 |
medium |
TR |
auteur |
Marc van Dijk |
Huub Oosterhuis, schrijver van het essay voor de Maand van de Spiritualiteit, wordt vandaag, op Allerheiligen, 75 jaar. Morgen is het Allerzielen. Het zijn dagen van verbondenheid met de doden. In Oosterhuis’ leven wisselden sommige doden van verblijfplaats. Op Allerheiligen herdenkt de rooms-katholieke kerk haar heiligen, en dat zijn er meer dan de heiligenkalender kan bevatten. Volgens de traditie is elke overledene die de hemel heeft weten te bereiken namelijk een heilige. Zonder openbare getuigenissen, zonder wonderdaden en massale verering, maar toch: een heilige. Allerzielen, de dag erna, stond vanouds vooral in het teken van de doden die deze gelukzalige staat nog niet bereikt hadden. De gemiddelde zondaar moest na zijn of haar heengaan eerst een tijdje boeten in het vagevuur, de ellendige wachtkamer van de hemel. Eens per jaar kon je die arme zielen als levende een handje helpen. Met elke gebedscyclus die je op 2 november aan hen wijdde, verdiende je als bidder een aflaat en kon bovendien één ziel het vagevuur voor de hemel verruilen. Sommige katholieke kinderen maakten er een sport van en boden tegen elkaar op: ’hoeveel heb jij er al gered?’ Toch was er één categorie waarvoor er geen ontsnappen aan was: de zielen in het voorgeborchte, ergens tussen hemel en hel. Wie daar zat, zou nooit in de hemel komen. Kon je bidden wat je wilde. Huub Oosterhuis weet wat dat betekende. „Mijn moeder was resusnegatief. Dat is een aangeboren variatie in het bloed die in sommige gevallen tot kindersterfte kan leiden. Tegenwoordig hebben ze het vrijwel volledig in de peiling, maar destijds was de term resusfactor nog niet eens bekend. Tijdens de oorlog heeft ze twee jongetjes verloren, in ’41 en in ’43, allebei vlak na de geboorte. De eerste zou Jos heten, de tweede ook weer. Je wist niet wat er aan de hand was. Mijn vader en moeder konden het ook niet uitleggen aan mijn broer, mijn twee jongere zusjes en mij. ’Bloedarmoede’, werd er dan gezegd. Er werd bloed van mijn vader toegediend aan die kinderen, maar dat haalde dus niets uit. Het wierp een grafsluier over ons gezin. Het was oorlog, het vermengde zich met alles wat er gebeurde. Wij hadden óók slachtoffers thuis. Dat durfde je niet te zeggen, want het was heel iets anders. Het werd ook door sommige medici toegeschreven aan de oorlog, hoewel dat achteraf bezien nergens op sloeg. Begin ’46 had mijn moeder voor de laatste keer een bevalling. Het kind werd dood geboren, een meisje. Het was verwekt na de bevrijding, in de hoop dat het dit keer… Als het zou blijven leven, zouden mijn ouders uit dankbaarheid naar Lourdes gaan, hadden ze gezegd. En ze zouden haar Bernadette noemen, naar het meisje van Lourdes. Niet lang daarna kwam er een Canadese arts bij ons op bezoek. Hij deed in Nederland onderzoek naar de resusfactor en had in het ziekenhuis gehoord over ons gezin. We werden geprikt en bekeken. Hij zei tegen mijn moeder: ’Wees maar blij dat u vier gezonde kinderen heeft, want meestal gaat het bij de tweede al mis.’ De gestorven kinderen waren geen van drieën gedoopt en dus waren ze niet in de hemel. Daar zat mijn moeder verschrikkelijk over in. Mijn vader minder. Voor mijn moeder was het traumatisch dat pastoor Dickmann, die ze zo geweldig vond, die zo’n beetje haar geestelijke vader was, had gezegd: ’Ze zijn in het voorgeborchte.’ Wat dat precies was, kon hij ook niet zeggen, maar ze zouden God in elk geval niet kunnen zien. Ik dacht aan matglas. Je kijkt, maar je ziet niks. Waarschijnlijk een woord van later, maar zo stelde ik het me voor. Mijn moeder vond het onverteerbaar dat haar kinderen geen engeltjes in de hemel waren.” Soms spreekt Huub Oosterhuis ex cathedra, ’ van de leerstoel af’. Niet dat hij zichzelf daarbij onfeilbaar zou noemen, zoals de paus van Rome, maar tegenspraak is op die momenten evengoed niet aan de orde. Oosterhuis: „In april 1962, toen ik net theologie studeerde in Maastricht, lag mijn moeder in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam. Ze moest geopereerd worden aan haar galblaas en lag op de afdeling waar mijn oudste zus Marianne in de verpleging werkte. Marianne belde me om te zeggen dat moeder het niet goed maakte. Ze was onrustig en ze had het veel over ’de kinderen’. ’Als ik de kinderen maar kon terugzien’, zei ze voortdurend. ’De kinderen’, daarmee doelde ze op de drie gestorven kinderen. Niet dat ze daar nog dagelijks mee bezig was, waarschijnlijk was er al een jaar of tien niet meer over gesproken. Maar in crisissituaties kwam het terug. De kinderen, haar eigen kinderen in het voorgeborchte. Toen dacht ik: dit moet afgelopen zijn. Ik heb de trein naar Amsterdam gepakt.” De opvatting dat ongedoopte kinderen niet in de hemel kunnen komen, is wijdverbreid. Kindersterfte stelde de rooms-katholieke kerk al in haar vroegste jaren voor een probleem. De kerk draagt uit dat het voor het bereiken van het heil noodzakelijk is om je te laten dopen – iets wat alleen bij leven kan. De doop dient onder andere om de ’erfzonde’ weg te spoelen, de aangeboren last waarmee elk mens volgens de kerkleer ter wereld komt sinds Adam en Eva uit het paradijs werden verdreven. Maar wat als een kind voor, tijdens of kort na de bevalling sterft? Het heeft weliswaar nog niet zelf kunnen zondigen, maar het draagt wél de erfzonde. Te bezoedeld voor de hemel, te onschuldig voor de hel. Eindeloos werd er door pausen en theologen over hun lot gediscussieerd. Moesten de kinderen na hun dood pijn lijden, zoals de verdoemden in de hel? Kerkvader Augustinus (354-430) meende van wel. Kerkvader Thomas van Aquino (1225-1274) introduceerde de limbus, waarin de kinderen juist een zeker geluk werd toebedeeld – al zouden ze God niet kunnen zien. De hel zou een rand (limbus, in het Latijn) hebben die uit twee delen bestond: de limbus patrum (het voorgeborchte der vaderen) en de limbus puerorum (het voorgeborchte der kinderen). In de eerste afdeling verbleven de zielen van de bijbelse profeten en aartsvaders die hebben geleefd vóór de komst van Christus. Zij waren wel heilig, maar ze hadden zich niet in de naam van Christus laten dopen – om de simpele reden dat hij nog niet op aarde was geweest. Volgens het credo, de geloofsbelijdenis van de kerk, is Jezus na zijn kruisdood ’nedergedaald ter helle’, voordat hij in de hemel werd opgenomen. Tijdens die helletocht zou hij ook deze ’vaderen’ hebben bevrijd. Maar voor de kinderen – die door de eeuwen alleen maar toenamen in aantal – was er geen uitweg. De limbus was weliswaar geen deel van de kerkelijke dogmatiek, het beeld van het voorgeborchte werd toch eeuwenlang uitgedragen door de beeldtraditie en de clerus, tot en met pastoor Dickmann bij de familie Oosterhuis en nog decennia daarna. Daarbij: ongedoopt gestorven kinderen mochten niet in gewijde aarde, op een rooms-katholiek kerkhof, begraven worden. Oosterhuis: „Na drie uur reizen stond ik aan mijn moeders bed. Ze was verrast me te zien. ’Jij hier?’, zei ze. ’Ik heb goed nieuws voor je’, zei ik. ’De kinderen zijn in de hemel.’ ’Wat?’, zei ze. ’Weet je dat zeker?’ Ik wist het natuurlijk helemaal zeker. ’Ja’, zei ik. ’Ik studeer toch theologie? Nou, de theologen hebben ontdekt dat het voorgeborchte niet bestaat. Ze dachten vroeger van wel, maar ze zijn erop teruggekomen.’ Daar was niets van waar, de theologen geloofden er nog heilig in. Maar voor ons als studenten was het evident. Wij dachten: kom op zeg, dat zit in de categorie ’branden in de hel’ en het afkopen van je zonden met een aflaat. In onze ogen was het uitstervende onzin. ’Dus ze zijn in de hemel?’, vroeg mijn moeder. Hel, hemel, voorgeborchte, het was allemaal nog onverminderd deel van haar religieuze universum. ’Ja, ze zijn in de hemel.’ Twee dagen later was ze beter, stond ze naast haar bed.” Ruim veertig jaar later sprak de paus voor het eerst officieel dezelfde opvatting uit over de limbus. In oktober 2006 stelde de Internationale Theologencommissie van het Vaticaan dat de theorie van het voorgeborchte der kinderen zonder problemen kon worden losgelaten. Op 20 april 2007 nam paus Benedictus XVI deze conclusie over. Volgens de paus zou het buitensluiten van onschuldige kinderen uit het paradijs in tegenspraak zijn met de bijzondere liefde die Christus voor de kleinsten koestert. Kardinaal Simonis bood publiekelijk zijn excuses aan voor de wijze waarop ouders tot op dat moment door de kerk in het ongewisse waren gehouden, terwijl theologen al langer vraagtekens hadden geplaatst bij het concept. Oosterhuis: „Ik denk dan: als de paus dit kan herzien, dan kan hij ook andere dingen herzien. Waarom hij dat niet doet, weet ik niet. Er zitten nog een paar zieke plekken in het katholieke geloof. Misschien kan hij ze helpen genezen.” Huub Oosterhuis (1933) is priester, dichter en vader van Tjeerd en Trijntje. Hij schreef ruim vijfhonderd liederen en gebeden, die in kerken van uiteenlopende signatuur gezongen worden, binnen en buiten Nederland. Zijn invloed op de liturgische vernieuwing en de oecumene bezorgde hem een eredoctoraat aan de Vrije Universiteit, maar ook de bijnaam ’de paus van Amsterdam’. [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
