Hogeschool Universiteit |
|
datum plaatsing |
|
medium |
NRC Handelsblad |
auteur |
Leo Prick |
Het Nederlandse tertiaire onderwijs heeft altijd een duidelijk onderscheid gekend tussen hoger beroepsonderwijs en universiteit. Dat verschil was niet gelegen in het al dan niet beroepsgerichte karakter van de opleidingen. Ook de universiteit heeft immers altijd beroepsopleidingen gekend zoals die van arts en tandarts, dominee, leraar en notaris. Het verschil zat vooral in het schoolse karakter van de beroepsopleidingen en de kleinschaligheid van de instellingen. De hts was er voor de technici, de kweekschool, later pabo geheten, voor de onderwijzers, de sociale academie voor de welzijnswerkers en de heao voor de economische en administratieve beroepen. In het kader van de bestuursfilosofie besturen op afstand werden deze scholen financieel zelfstandig. Het toeval wilde dat deze ontwikkeling samenviel met ingrijpende wijzigingen in de studievoorkeur van studenten die zich laten typeren als een verschuiving van sociaal betrokken naar meer carrièregericht. De animo voor opleidingen zoals de heao nam sterk toe wat ging ten koste van sociale academie en pabo waarvan het beroepsperspectief bovendien was verslechterd als gevolg van de bezuinigingen in de jaren tachtig en negentig in de sociale sector en op onderwijs. De combinatie van financiële verzelfstandiging en ingrijpende verschuiving van de studievoorkeuren leidde ertoe dat veel opleidingen aansluiting moesten zoeken bij financieel sterkere partners. Dit leidde tot een fusiegolf in het hoger beroepsonderwijs. Terwijl aan de universiteiten studenten zelf bepaalden in hoeverre zij de colleges volgden en hoe lang zij over hun studie wensten te doen, hadden de beroepsopleidingen meer het karakter van een middelbare school. Die verschillen in cultuur zijn de afgelopen twee decennia sterk afgenomen. Zo is de inrichting van het onderwijs aan de universiteiten veel schoolser geworden en kennen de studenten aan de hogescholen veelal een met die van de universitaire studenten vergelijkbare vrijheid. Ook wat betreft de omvang van de instellingen zijn hogescholen en universiteiten steeds meer op elkaar gaan lijken want, ook toen de economische noodzaak daartoe al lang niet meer bestond, zijn de hogescholen doorgegaan met fuseren. Gedreven door prestige werd groot groeien een doel op zich. Daarnaast werd ook veel energie gestoken in iets heel anders dat eveneens alles te maken heeft met prestige. Het meest in het oog springende, resterende verschil tussen beide vormen van tertiair onderwijs betreft het wetenschappelijk karakter van de universiteiten. In hun streven de universiteiten ook in dit opzicht naar de kroon te steken hebben hogescholen de afgelopen jaren herhaaldelijk pogingen ondernomen dit verschil te slechten. De meest opvallende maatregel in dit verband was de aanstelling van onderzoekers als ‘lector’, in het verleden de titel voor de universitaire net-niet-helemaal-hoogleraar met een eigen leerstoel. Een stap in dezelfde richting was het samenwerkingsverband dat een hogeschool aanging met een buitenlandse universiteit om op deze wijze het jus promovendi, het recht tot promotie, binnen te halen. Daarmee leek het nog slechts een kwestie van tijd dat de hogescholen erin zouden slagen het onderscheid tussen beide categorieën tertiair onderwijs te doen verdwijnen. Maar terwijl de hogescholen druk doende waren zich naar de buitenwereld toe wetenschappelijk te profileren, ontwikkelden zij zich voor wat betreft hun kernactiviteit, het onderwijs, in tegengestelde richting. Met als gevolg dat de verschillen tussen hogeschool en universiteit die de afgelopen jaren ogenschijnlijk minder waren geworden, inhoudelijk juist zijn gegroeid. Om dat te verklaren moeten we terug naar de ontstaansgeschiedenis van de hogescholen. Bij fusies ziet de vragende partij zich altijd gedwongen het meeste water in de wijn te doen. Wie afhankelijk is heeft weinig in te brengen met als gevolg dat bij de totstandkoming van de hogescholen de cultuur van de economische opleidingen de boventoon ging voeren. De meer zakelijk ingestelde sectoren drukten hun stempel op het fusieresultaat en namen bezit van de belangrijkste functies. Met name de meest omvangrijke hogescholen, Inholland voorop, gingen zich bedrijfsmatig ontwikkelen. Het productieproces onderwijs diende zo goedkoop en efficiënt mogelijk te worden ingericht, waarbij uit het oogpunt van kostenbesparing niet universitair opgeleide docenten als instructeur door anderen ontwikkelde lesstof aan de student brachten. Daarnaast zagen we veranderingen in het opleidingsniveau van de aankomende hbo-studenten. In het verleden was dat in de regel havo, soms vwo en heel soms mbo. De laatste jaren is het aandeel van de mbo-studenten sterk toegenomen en, zoals de pabo-toetsen aantonen, zij scoren zowel bij rekenen als, meer nog, bij taal lager dan studenten met havo en die weer veel lager dan die met vwo. De conclusie die hieruit valt te trekken is dat het theoretische en algemene ontwikkelingsniveau van de hogeschoolstudenten de laatste jaren is gedaald. Deze ontwikkeling sluit ook aan bij de keuze die het beroepsonderwijs heeft gemaakt voor wat betreft de inrichting van het onderwijs. Uitgangspunt daarbij zijn steeds meer de competenties die noodzakelijk worden geacht voor de beroepsuitoefening. Daarmee hebben de opleidingen dus nog meer een op de directe beroepsuitoefening gericht karakter gekregen. Docenten die gemiddeld lager zijn opgeleid, studenten met een beperktere theoretische bagage en de toegenomen praktijkgerichtheid van het onderwijs, al deze ontwikkelingen bij elkaar opgeteld maken duidelijk dat de afstand tussen hogeschool en universiteit alleen maar groter is geworden. Hogescholen moeten niet langer energie steken in het nastreven van een wetenschappelijke status. Zij dienen onder ogen te zien dat de ontwikkelingen hun heel ergens anders hebben gebracht; zij vormen het sluitstuk van de beroepsgerichte kolom. Overigens, zoals dat altijd het geval is geweest, met de mogelijkheid van doorstroming naar het wetenschappelijk onderwijs. Maar die weg van hogeschool naar universiteit moet niet worden gezien als vanzelfsprekend want liggend in elkaars verlengde, maar als een stap zijwaarts waarbij op theoretisch gebied aan studenten beduidend hogere eisen worden gesteld. [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
