Nooit wijzer |
|
datum plaatsing |
|
medium |
NRC Handelsblad |
auteur |
Leo Prick |
Meer dan ooit lijken ouders ervan doordrongen dat een goede opleiding een belangrijke voorwaarde is om maatschappelijk succesvol te zijn. Zij zijn de laatste jaren dan ook steeds meer aandacht gaan besteden aan de schoolresultaten van hun kinderen. Het kan niet anders dan dat deze toegenomen gerichtheid op school en leren gevolgen heeft voor het gemiddelde niveau van de leerlingen en dus zou moeten resulteren in een geleidelijke toename van onder meer het aantal leerlingen dat aan het einde van de basisschool geschikt wordt geacht om te worden toegelaten tot een vwo-opleiding. Dit nu blijkt niet het geval te zijn. Het aantal vwo-leerlingen wordt, naar het schijnt, niet bepaald door de vraag en al evenmin door de kwaliteit van het aanbod maar door het aantal beschikbare plaatsen. Anders gezegd: scholen nemen net zo veel leerlingen aan als ze nodig hebben om hun klassen vol te krijgen. Omdat scholen voor (havo/)vwo het meest gewild zijn, hebben die de eerste keuze. Zij nemen de beste leerlingen aan, tot ze vol zitten. Afhankelijk van de kwaliteit van het aanbod worden de eisen bijgesteld. Zo kan het dus gebeuren dat de Cito-score vereist voor toelating tot havo of vwo van school tot school of van stad tot stad sterk van elkaar verschilt. Het aantal leerlingen dat een vwo-diploma behaalt, schommelt al 25 jaar lang vrijwel onafgebroken tussen de 28 en de 30 duizend. Alleen in 2002 zagen we, bij de eerste eindexamenlichting na de invoering van studiehuis en Tweede Fase, een duidelijke dip in het aantal geslaagden, wat vermoedelijk te maken had met de chaotische wijze waarop deze vernieuwingen werden ingevoerd. Inmiddels lijkt het onderwijs zich van die dip te hebben hersteld. Dat constante aantal vwo-gediplomeerden is eigenlijk heel wonderlijk. Het aantal jongeren in de eindexamenleeftijd is namelijk allesbehalve constant geweest: dat zakte van 260 duizend 25 jaar geleden naar 180 in 1996 om uiteindelijk, in 2007, uit te komen op 200 duizend. Het vwo kent dus in de praktijk klaarblijkelijk een numerus fixus. Niet als gevolg van onderwijspolitieke overwegingen, evenmin omdat we dat om wat voor andere reden dan ook wenselijk vinden, maar simpelweg doordat het aantal beschikbare plaatsen constant wordt gehouden. Hoewel er dus al die jaren ogenschijnlijk weinig is veranderd, heeft zich de afgelopen 25 jaar wel degelijk een revolutie voltrokken. Aanvankelijk waren de jongens ver in de meerderheid, maar vanaf 1996 zijn de meisjes de jongens voorbijgestreefd om vervolgens gestaag verder uit te lopen. In wielertermen: er op en er over. En niet zo’n beetje ook. Inmiddels hebben ze hun voorsprong uitgebouwd naar 16.340 tegenover 13.740 voor de jongens, wat precies de omgekeerde verhouding is van 25 jaar geleden. Zonder dat dit overigens gevolgen heeft gehad voor het totaal aantal geslaagden. Dat de meisjes het op school zo veel beter zijn gaan doen dan de jongens wordt vaak toegeschreven aan de veranderde eisen die het onderwijs aan de leerlingen is gaan stellen en waarbij meer moet worden samengewerkt, werkstukken moeten worden gemaakt, en meer aan zelfstudie wordt gedaan. Deze werkvormen stellen hoge eisen aan zelfdiscipline en sociale vaardigheden, kwaliteiten die we bij meisjes meer aantreffen dan bij jongens. Als dit de werkelijke oorzaak zou zijn van de veranderde verhoudingen, zouden de verschillen tussen jongens en meisjes sedert de invoering van het studiehuis moeten zijn toegenomen. Maar dit is niet het geval. Die zijn gelijk gebleven. Hoe ogenschijnlijk voor de hand liggend ook, de chaotische jongens zijn het ondanks de veranderde didactiek de laatste jaren niet slechter gaan doen dan de meer gedisciplineerde meisjes. Hun achterstand is de afgelopen vijf jaar gelijk gebleven. December 2007 hebben de lidstaten van de Europese Unie in Lissabon de afspraak gemaakt ervoor te zorgen dat meer mensen hoog worden opgeleid. In het kader van die overeenkomst zou het streven moeten zijn dat elke jongere die daar de capaciteiten voor heeft in de gelegenheid wordt gesteld het vwo-diploma te behalen. Uitgaande van de veronderstelling dat jongens niet dommer zijn dan meisjes mogen we concluderen dat we bij de jongens een intellectuele reserve van 3,3 procent ongebruikt laten. Dat komt neer op 3260 extra vwo-diploma’s. Omdat vrijwel iedereen met een dergelijk diploma een universitaire opleiding gaat volgen betekent het mobiliseren van deze reserve ongeveer 10 procent meer eerstejaars studenten. Omdat de vraag hoeveel leerlingen worden toegelaten tot het vwo afhankelijk is van de ruimte waarover de betreffende scholen beschikken, leiden verschillen in beschikbare capaciteit tot verschillen in toelatingseisen. Zo bedraagt de minimale Cito-score om tot het gymnasium te worden toegelaten op de ene school 541 en op een andere 548 (de maximaal haalbare score is 550). Voor wat betreft het vwo vond ik minimumeisen die afhankelijk van gemeente of regio varieerden van 540 tot 545. Met andere woorden als de kwaliteit van het leerlingenaanbod stijgt wordt niet de onderwijscapaciteit uitgebreid, maar worden de toelatingseisen verhoogd. Het onderwijsbeleid zou er daarom op gericht moeten zijn om in die gebieden waar scholen onredelijk hoge toelatingseisen stellen, de vwo-capaciteit uit te breiden. Dat kun je niet aan de scholen zelf overlaten, want die hebben daar geen enkel belang bij. In tegendeel: hoe hoger de toelatingseisen des te beter de resultaten en des te prettiger is het ook voor de leraren om met die leerlingen te werken. Dat we de vwo -capaciteit uitbreiden is niet alleen noodzakelijk als maatregel om te bevorderen dat meer jongeren een universitaire opleiding gaan volgen maar ook vanwege de verstrekkende maatschappelijke gevolgen van het vwo plaatstekort. In Nederland doen leerlingen het examen dat bepalend is voor hun verdere schoolloopbaan op 11-jarige leeftijd. Dan wordt beslist of ze in aanmerking komen voor een (havo)vwo-opleiding. Logisch dat ouders alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat hun kinderen zo hoog mogelijk scoren op dat examen. Omdat het aantal plaatsen op de scholen voor (havo/)vwo beperkt is, betreft het in feite een vergelijkend examen. Daarbij zijn de meisjes, zeker op die leeftijd in de regel meer gedisciplineerd, in het voordeel. Maar zij niet alleen. De meeste kans van slagen hebben uiteraard die kinderen die als gevolg van hun achtergrond, zoals het opleidingsniveau van hun ouders, de meest gunstige uitgangspositie hebben. Daarmee maken we kinderen uit kansarme milieus nog eens extra kansarm. Temeer daar ons onderwijssysteem nauwelijks meer tweede kansen in de aanbieding heeft. Met deze steeds meer op sociale achtergrond gebaseerde selectie wordt dus niet alleen veel talent verspild, daarmee wordt ook veel kinderen onrecht aangedaan, want ze krijgen niet de gelegenheid om hun talenten te ontwikkelen. De maatschappelijke consequentie hiervan is dat de mogelijkheden voor sociale mobiliteit steeds geringer worden met als gevolg dat maatschappelijke tegenstellingen worden bestendigd. Daarnaast heeft dit selectiemechanisme ook negatieve gevolgen voor de scholen voor basisonderwijs. Die krijgen in toenemende mate te maken met de prestatiedruk van de ouders die van de school verlangen dat hun kinderen hoe dan ook slagen voor dat alles beslissende examen. Met als gevolg dat basisscholen zich steeds meer exclusief laten leiden door de toetseisen. In geval van twijfel zorgen ouders voor bijlessen en toetstrainingen. Overigens verkondigt het CITO altijd dat dergelijke trainingen niet helpen, maar dat is natuurlijk onzin: voor het maken van de toets geldt hetzelfde als voor zwemmen, schaatsen of voetballen. Dat leer je ook het beste door het veel te doen en dan liefst ook nog met een begeleider die je wijst op hoe het beter kan. De wijze waarop jongeren zich in de middelbare schoolleeftijd ontwikkelen is vaak verrassend. Hoewel iedereen daarvan volop voorbeelden kent uit de eigen omgeving, wordt daar in het beleid steeds minder rekening mee gehouden. We sluiten twijfelgevallen op voorhand uit en maken daarmee veel kansrijken kansloos. Om dit tegen te gaan dienen we te bevorderen dat scholen ook de twijfelgevallen aannemen. Maar daar kun je ze natuurlijk niet toe verplichten. Dat zullen scholen alleen doen als ze ook die twijfelgevallen nodig hebben om hun klassen te vullen. Dat betekent dat de capaciteit moet worden uitgebreid. Je zou dat als overheid kunnen sturen door te stellen dat elke leerling met òf een positief oordeel van de basisschool òf met een nader vast te stellen minimumscore op de Cito-toets, terecht moet kunnen op een havo/vwo school. Van jongens is bekend dat ze, vaker dan meisjes, zich ontwikkelen tot een laatbloeier. Zij zijn daarom gebaat bij een systeem van doorstroming. Hetzelfde geldt voor kinderen uit achterstandsmilieus. Die krijgen niet alleen zoals laatst is gebleken vaak een relatief laag schooladvies, ze hebben vaak ook de neiging zichzelf te laag in te schatten. In het kader van de bezuinigingen en onderwijsvernieuwingen is in de jaren tachtig en negentig een beleid gevoerd waarbij de doorstroom werd ontmoedigd. Leerwegen moesten efficiënt. De mavo werd min of meer losgekoppeld van de havo, met havo hoefde je niet meer eerst naar het vwo maar kon je voortaan via een jaartje hbo naar de universiteit, de tweede kans-opleidingen van het volwassenenonderwijs werden ondergebracht bij de ROC’s, waar ze inhoudelijk niet thuis horen, veelal stiefmoederlijk worden behandeld en dus wegkwijnen. Het privé-onderwijs speelt een steeds grotere rol bij het scheppen van tweede kansen, maar de kosten daarvan zijn voor slechts weinigen te dragen. Om te bevorderen dat meer laatbloeiers en meer kinderen uit achterstandsmilieus een havo of vwo-diploma behalen moeten doorstroming en tweede kans onderwijs worden gestimuleerd. Maatregelen zoals de uitbreiding van capaciteit en het herintroduceren van tweede kansen hebben als zegenrijk effect dat de Cito-toets niet langer een allesbeslissend examen is. De druk op de scholen om daar disproportioneel aandacht aan te besteden zal daarmee afnemen. En – niet het minst belangrijk - we bewijzen daarmee ook een dienst aan de kinderen die we bevrijden van een ongezonde prestatiedruk. De numerus fixus op scholen voor havo/vwo heeft dus negatieve effecten op zowel het basis- als op het tertiair onderwijs. Daarnaast heeft het ook onbedoeld effect op de onderwijspolitieke discussie. Nu de negatieve gevolgen van de huidige wijze van selecteren op zowel kinderen, ouders als basisscholen steeds meer voelbaar worden, gaan ook steeds meer stemmen op om het moment van selectie uit te stellen naar de leeftijd van 15 of 16 jaar. Een dergelijk uitstel heeft evenwel geen enkel effect zolang ouders vrij zijn in de keuze van de school voor hun kinderen. Het zou overigens onverstandig zijn om aan die vrijheid te tornen, want de negatieve effecten zijn niet het gevolg van het moment van selectie maar van het te beperkte aantal plaatsen en het ontbreken van de mogelijkheden tot herkansing. Het verruimen van het toelatingsbeleid betekent dat het systeem waarbij de kwaliteit van scholen wordt gemeten, dient te veranderen. Het is niet moeilijk om excellente leerlingen in de voorgeschreven tijd naar het eindexamen te loodsen. Het is pas echt knap als je dat ook doet met twijfelgevallen en het is ook nog steeds knap als die twijfelgevallen er wat langer over doen en het niet in alle gevallen blijken te redden. De werkelijke maatstaf voor kwaliteit moet worden ontleend aan de toegevoegde waarde, en niet, zoals nu wordt gedaan, aan de resultaten. Geen enkele ontwikkeling kan los worden gezien van de economische recessie. De voorzitter van de SER, Alexander Rinnooy Kan, wees er onlangs tijdens een discussie in de Amsterdamse Balie op dat juist als het economisch slecht gaat, het van belang is te investeren in onderwijs. Door extra te investeren in menselijk kapitaal komen we straks sterker uit de crisis te voorschijn. Het belangrijkste knelpunt bij de uitbreiding van het scholingsaanbod voor havo/vwo betreft het vinden van geschikt personeel. Juist in die sector is nu al sprake van een toenemend tekort aan bevoegde docenten. De belangstelling voor een baan in het onderwijs hangt nauw samen met de ontwikkeling van de werkgelegenheid in andere sectoren. Als daar de onzekerheid toeneemt wordt een baan in een stabiele sector als onderwijs een aantrekkelijk alternatief. Dan heeft ook dit nadeel zijn voordeel. [ < terug ] Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd. Indien dit artikel interessant is voor uw website, bieden wij u de mogelijkheid het te gebruiken. Neem hiervoor contact op met Nostraverus.
|
|
