Uw zoekopdracht

Zoeken in een regio



Moet kunnen

Moet kunnen


datum plaatsing

29-03-2003

medium

NRC Handelsblad

auteur

Leo Prick


Midden jaren zeventig. Vol goede moed was ik begonnen aan mijn nieuwe baan als docent bij een lerarenopleiding. Die goede moed zonk me al snel in de schoenen. Afspraken met stagescholen, de reproductieafdeling, de beschikbaarheid van de lokalen, alles wat er in dat instituut mis kon gaan ging ook mis. Toen ik de directeuren daarop aansprak, bleken die nooit eerder te hebben nagedacht over de vraag wie waarvoor verantwoordelijk was, ze verweten me dat ik verlangde dat zij de baas zouden spelen, maar zo ging dat daar niet. Het is hier geen gladlopend instituut als het Cito (waar ik eerder had gewerkt), werd me misprijzend voorgehouden. Ik hield hen voor dat baas spelen niet iets vies is, dat ze er zelf voor hadden gekozen dat te doen, dat ze het smartengeld dat daaraan verbonden was iedere maand opstreken, maar dat dit wel een aantal verplichtingen met zich meebracht. Bijvoorbeeld ervoor zorgen dat ondersteunende diensten goed functioneerden, en dat dit nooit het geval zou zijn zo lang zij niet met elkaar overeen kwamen wie waar verantwoordelijk voor was. Niet dat die verwijten hielpen. Het was de tijd waarin vrijgestelden hun gang konden gaan. Het principe van nondirectieve opvoeding drukte zijn stempel ook op menige werkplek. Ik ben er weer snel weggegaan, maar in die korte tijd heb ik er veel geleerd. Bijvoorbeeld dat zo’n lamlendige directie de cultuur van een organisatie tot in al haar vezels verziekt.
Die Amsterdamse lerarenopleiding vormde geen uitzondering. De hele maatschappij had er last van , maar de sector onderwijs veel meer dan andere. Tot op de dag van vandaag. Dit laatste als gevolg van het verlies aan arbeidsplaatsen door de bezuinigingen en daling van leerlingenaantallen in de jaren tachtig. Door de daarbij gehanteerde ontslagregel “last in first out” moesten de jongsten eruit. De leraren van de babyboomgeneratie waren oud genoeg om de ontslagdans te ontspringen. Nog steeds maakt die generatie er de dienst uit. Dat heeft het onderwijs veel kwaad gedaan. Hun angst om voor autoritair te worden versleten is er de oorzaak van dat veel scholen voor voortgezet onderwijs verbale en fysieke agressie kennen en vaak een puinhoop zijn.
Als u dat denkt dat ik overdrijf, raad ik u aan het interview te lezen van Margreet Vermeulen in de Volkskrant van maandag 17 maart met de directeur van een Amsterdamse vmbo-school, die daar orde op zaken probeert te stellen. Die directeur heeft te maken met een cultuur waarin het heel gewoon is dat leerlingen elkaar uitschelden, waar leerlingen een leraar consequent aanspreken met lul en voor wie een lerares een vuile teringhoer is. Dat is natuurlijk een andere omgeving dan het Rijnlandslyceum in Oegstgeest, waarvan ik enige tijd geleden vermeldde dat men daar de kantine tijdelijk had gesloten omdat men niet in staat was te voorkomen dat leerlingen er een puinhoop van maakten, maar het getuigt natuurlijk van dezelfde lamlendige houding bij de leiding.
Gelukkig is er inmiddels een nieuwe generatie aangetreden die geleidelijk het roer komt overnemen. Wat de taak voor die nieuwe schoolleiders zo ingewikkeld maakt, is dat de leraren en ander personeel niet hun vanzelfsprekende bondgenoten zijn. Die hebben altijd hun gang kunnen gaan, en nu komt er ineens iemand die hen vertelt dat, willen leerlingen zich houden aan regels en fatsoenlijke omgangsvormen, zij daarin het voorbeeld moeten geven. Een hele cultuuromslag voor wie zich altijd heeft laten leiden door het principe “moet kunnen”.
[ < terug ]

aanverwante artikelen: